Hulp aan
illegalen: mag da? Ja, da mag!
Ondersteunende
informatiebrochure
Eind december deed minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael een paar
scherpe uitspraken rond ‘hulp aan illegalen’. Volgens de minister was zo’n hulp,
en het in huis nemen en onderhouden van illegalen, strafbaar. Hoewel dit
juridisch niet klopt, veroorzaakten de uitspraken heel wat deining. Heel wat
goed menende mensen helpen immers dagelijks illegalen (of ‘mensen zonder wettig
verblijf’): als vrijwilliger in vluchtelingenwerkingen, in een buurtcomité ter
ondersteuning van een uitgeprocedeerde familie, als hulp bij
huiswerkbegeleiding of integratie, of gewoon door het geven van soep of kleren
aan mensen zonder
Hoewel de uitspraken nadien wel werden recht gezet (hulp aan illegalen is
NIET strafbaar als ze uit voornamelijk humanitaire overwegingen gebeurt) bleven
er heel wat vragen bij het grote publiek.
Wij besloten vanuit
We willen niet enkel reageren op de uitspraken van Dewael, maar ook de
gelegenheid aangrijpen om de discussie voor het grote publiek open te trekken.
Volgens ons volstaat het niet om het probleem ‘op te kuisen’. Er verblijven
steeds meer mensen zonder wettig verblijf op het Belgische grondgebied, en die
overleven vaak in schrijnende omstandigheden. En steeds meer Belgen schieten
die mensen te hulp. Dat is de realiteit. Het is tijd dat we met z’n allen eens
gaan nadenken wat we met die mensen gaan doen. Hoe staan we tegenover
‘illegaliteit’? Kán een mens wel illegaal zijn? En kunnen we met z’n allen ook
niet nadenken over andere, meer menselijke én haalbare oplossingen, in plaats
van hen steeds in het hoekje van de misdadigers duwen of hen uitwijzen?
Vluchtelingenwerk Antwerpen lanceert daarom een brede briefkaartactie. We
hebben een kaartje ontworpen, dat mensen naar minister Dewael kunnen sturen.
Het kaartje stelt: ‘Voor mij is een ‘illegaal’ een mens. Maakt u dan een
menselijk beleid?’ Op de kaartjes staat een verwijzing naar deze bredere
discussietekst, waar een mogelijk ‘menselijker beleid’ wordt toegelicht.
Iedereen die rond de campagne werkt, wordt uitgenodigd om met de tekst ’de boer
op te gaan’ en waar mogelijk de problematiek aan te kaarten.
De
actie wordt ondersteund door peters en meters: bekende Vlamingen die zich mee
achter de bedenkingen schaarden, en met hun foto ook op de kaartjes staan. Op
dit moment zijn dit Geena Lisa, Coco Jr., Axl Peleman, Nigel Williams, Kaye
Styles, Dirk Tuypens, Noureddine Farihi, Marleen Merckx en Adriaan Van den
Hoof.
1. Humanitaire
hulp aan ‘illegalen’: mag da? Ja, da mag!
Wat is het
probleem?
In januari
van dit jaar werden door minister van Binnenlandse zaken Patrick Dewael enkele
uitspraken gedaan rond ‘hulp aan illegalen’. De uitspraken kwamen er na een
oproep van Frank Hosteaux, van de Antwerpse vzw Rot op huisjesmelkers. Die
spoorde Antwerpenaren aan om onderdak te verschaffen aan mensen zonder
papieren, die vaak in erbarmelijke omstandigheden moeten overleven. Het beleid
van minister Dewael vond het daarop nodig om de puntjes op de i te zetten. Via
de pers werd duidelijk gesteld dat mensen, die illegaal op het grondgebied
verblijven, strafbaar zijn. En dat burgers die die mensen daarbij ‘helpen’, dat
ook zijn.
Hiermee ontstond een hele hetze in de media. Want veel burgers zijn
dagelijks bezig met ‘hulp aan illegalen’. Scholen organiseren steuncomités om
een dreigende uitwijzing van een klasgenootje en z’n familie tegen te houden.
Buren brengen soep en eten naar mensen zonder wettig verblijf in de wijk.
Vrijwilligers organiseren zich in verenigingen om mensen zonder wettig verblijf
juridisch en sociaal te ondersteunen, of om financieel de eindjes aan elkaar te
knopen.
Waren al die goed menende burgers nu plots misdadig?
Wat zegt
de wet?
De
wet is duidelijk als het over ‘hulp aan illegalen’ gaat. Artikel 77 van de
Vreemdelingenwet stelt dat hulp die voornamelijk uit humanitaire motieven
gegeven wordt, NIET strafbaar is. Hulp die door goedmenende burgers en
organisaties aan mensen zonder wettig verblijf gegeven wordt, is dus GEEN
misdrijf.
Zelfs
het huisvesten van mensen zonder wettig verblijf – waar het toch allemaal mee
begon – is niet strafbaar. Je kan als eigenaar zelfs een huurcontract afsluiten
met iemand zonder wettig verblijf, zolang je bij de verhuring maar geen
misbruik maakt van de ‘kwetsbare positie van de huurder’.
Als
je dit wel doet (extreem hoge huur vragen, huisjesmelkerij,…) ben je wél
strafbaar. Wat ook strafbaar is – volgens hetzelfde artikel 77 van de
vreemdelingenwet – is iemand zonder wettig verblijf helpen het land binnen te
komen, hier te verblijven of hem helpen door te reizen als dit NIET uit
voornamelijk humanitaire (maar bijvoorbeeld economische of criminele) motieven
gebeurt (mensensmokkel, mensenhandel,…)
Met
zijn uitspraken zaait minister Dewael verwarring bij goedmenende burgers, die
zich dagelijks inzetten om het leven van mensen zonder wettig verblijf
draaglijker te maken. En dat is jammer.
Illegaliteit
is een maatschappelijk probleem. Solidariteit niet.
Mensen
helpen mensen zonder wettig verblijf. Dat is een realiteit. Burgers worden
getroffen door de problemen waar mensen zonder wettig verblijf vaak mee kampen,
en willen hier iets aan doen. Want voor veel mensen zonder wettig verblijf is
leven vaak overleven.
Illegaliteit als
maatschappelijk probleem
Het woord
‘illegaal’ heeft in de media vaak een negatieve, criminele bijklank. Maar in
feite is het enige misdrijf dat de ‘illegaal’ pleegt, dat hij geen geldige
verblijfsdocumenten (meer) heeft. Wij spreken daarom liever over ‘mensen zonder
wettig verblijf’ dan ‘illegalen’.
De groep mensen zonder wettige verblijfspapieren is heel divers.
Mensen hebben bijvoorbeeld geen papieren omdat ze afgewezen werden in de
asielprocedure. Die procedure moet uitmaken of ze al dan niet ‘politiek
vluchteling’ zijn en in België mogen blijven. De procedure is erg streng,
waardoor 85% van de aanvragers vroeg of laat wordt afgewezen, met de vraag het
land te verlaten. Wie na dat bevel tóch hier blijft, heeft geen geldige
verblijfspapieren meer en is ‘illegaal’.
Of mensen hadden een voorlopige verblijfsvergunning, die is verlopen.
Of mensen hoopten op papieren via gezinshereniging of huwelijk, maar dit is
mislukt.
Of mensen hebben nooit wettige verblijfspapieren gehad, omdat ze nooit aan
de asielprocedure zijn begonnen.
Deze
mensen zonder wettig verblijf ‘mogen hier niet zijn’, maar ze zijn er wel… en
blijven. Dat is een maatschappelijke realiteit, ongeacht waaróm mensen hier
blijven. Omdat ze hier niet mogen zijn,
hebben ze ook erg weinig rechten. Ze hebben alleen het recht op
dringende medische hulp, kinderen zonder wettig verblijf hebben recht op
onderwijs, en minderjarige kinderen zonder wettig verblijf hebben recht op
opvang in een opvangcentrum, samen met hun ouders.
In de
praktijk blijven veel mensen zonder wettig verblijf van die minimale rechten
verstoken. En ze hebben géén recht op werk, dus ook geen recht op inkomen.
Over aantallen lopen de meningen – net door het ongrijpbaar karakter van de
illegaliteit – uiteen. Schattingen gaan van 30.000, 90.000 tot 150.000 mensen
op het Belgisch grondgebied.
Omdat ze niet officieel mogen werken, werken veel mensen zonder wettig
verblijf in het zwart, vaak net in die jobs waar moeilijk Belgen voor te vinden
zijn (landbouw, fruitteelt, poetsbedrijven, bouwsector,…) Omdat ze hier
wettelijk niet mogen zijn, zijn deze illegale zwartwerkers vaak de speelbal van
hun werkgever: ze werken voor erg lage lonen en in zware arbeidsomstandigheden.
Omdat ze geen rechten of een alternatief hebben, worden ze bovendien dikwijls
slachtoffer van extra uitbuiting: huisjesmelkerij, tewerkstelling in illegale
circuits,…
Wettelijk
gezien is deze ‘tewerkstelling van illegalen’ een misdrijf. Het beleid
doet verwoede pogingen dit ‘zwartwerk’
tegen te gaan, waarbij de aangetroffen mensen zonder wettig verblijf al te vaak
het land worden uitgezet. Volgens ons is het probleem evenwel niet het
zwartwerk op zich. Het probleem is een beleid dat mensen zonder wettig verblijf
uitsluit van het recht op een inkomen, waarbij ze wel verplicht zijn zich te
wenden tot zwartwerk, willen ze overleven.
De
grens tussen zwartwerk en humanitaire hulp is soms ook erg vaag. Zo laten heel
wat particulieren – hoewel strafbaar - door mensen zonder wettig verblijf ‘in
het zwart’ hun huis poetsen of de tuin onderhouden. Om mensen zonder wettig
verblijf zo een inkomen te verschaffen, waar die laatsten vaak erg blij om
zijn. Bovendien hebben ze zo iets om handen en komen ze uit hun isolement.
Solidariteit
als antwoord
Burgers
worden getroffen door de nood van mensen zonder wettig verblijf, en willen hier
waar mogelijk iets aan doen. Of de noodlijdende op dat moment nu ‘legaal’ of
‘illegaal’ is, wat hij in z’n land had meegemaakt en waarom hij nu precies
vluchtte, is daarbij vaak van weinig belang.
Hulp
aan mensen zonder wettig verblijf is zo vooral een ethische kwestie. Hoe gaat
een samenleving om met haar zwakste groepen, zelfs als deze groep ‘illegaal’
is? Is een mens je hulp niet meer waard, omdat hij niet de juiste papieren op
zak heeft? Laat je een medemens verdrinken, omdat er ‘verboden te zwemmen’
naast de vijver staat?
2. Wij
willen geen ‘verklikkersmaatschappij’
Wat is het
probleem?
Dewael stelde dat illegaal verblijf een misdrijf is, en dat ‘wie kennis
heeft van een misdrijf , wettelijk verplicht is dit te melden aan het parket’.
Zo ontstaat de indruk dat burgers verplicht zijn om iemand zonder wettig
verblijf aan te geven. Dit klopt niet.
Wat zegt
de wet?
Volgens de wet zijn ambtenaren verplicht ‘vastgestelde misdrijven te melden
aan de procureur des konings’ (art 29 Sv) Wanneer politiemannen en andere
ambtenaren iemand aantreffen zonder verblijfspapieren, moeten ze dit dus
melden. Voor gewone burgers bestaat die meldingsplicht NIET. Wij zijn dus niet
verplicht mensen zonder wettig verblijf aan te geven.
Wij willen geen verklikkersmaatschappij
De uitspraken van Dewael duwen onze maatschappij volgens ons in een
gevaarlijke richting. Je buurman (al dan niet verplicht) aangeven omdat hij ‘illegaal
in het land verblijft’, maakt de sfeer er niet warmer op.
Ondanks de solidariteit die mensen vaak tonen voor directe naasten, is er
een bredere maatschappelijke tendens naar wantrouwen voor al wat daarbuiten en
vreemd is. Mensen kruipen meer weg in hun huizen, verzuring rispt op. Wanneer
werk en welvaart schaarser worden, voelt iedereen die ook aanspraak wil maken
op die schaarse goederen, als een bedreiging. En mensen willen meer controle op
alles wat hen bedreigt.
Het isolement waarin iedereen zo terecht komt, helpt ons echter niet
verder. Het is niet omdat je je ‘illegale’ buurman verklikt, dat de bedreiging
van een veranderende maatschappij wegvalt. Het duwt ons allemaal alleen meer in
het isolement, terwijl we net samen zouden moeten werken aan échte oplossingen
voor de problemen.
Volgens ons moet een beleid de maatschappelijke tendens tot verzuring en
verkilling niet aanmoedigen. Een beleid moet op zoek gaan naar echte
oplossingen voor de problemen, die aan deze verzuring ten grondslag liggen. Een
verklikkersmaatschappij is daarbij een bedreiging voor het samen-leven, die ons
enkel de verkeerde richting in duwt.
3. Wij
willen een ruimhartiger asiel- en migratiebeleid
Een
repressief migratiebeleid
Het huidig asiel- en migratiebeleid, en zeker het beleid tegen mensen
zonder wettig verblijf, is vrij repressief. Het wordt mensen zonder wettig
verblijf in de praktijk moeilijk gemaakt hun basisrechten te krijgen. Er wordt
actiever gezocht naar mensen zonder wettig verblijf (via controle-acties aan
bus- en tramhaltes, gerichte auto-controles, huis-aan-huiscontroles,…)
Gesloten centra – waarin gearresteerde mensen zonder wettig verblijf kunnen
vastgezet worden in afwachting van hun uitwijzing – worden verder uitgebouwd,
met meer plaatsen voor kinderen en gezinnen.
De nieuwe asielprocedure die op stapel staat, wil de proceduretijd
verkorten. Wij juichen een verkorting en vereenvoudiging zeker toe. Maar
verschillende vluchtelingenorganisaties vrezen dat met de vernieuwing ook de
kwaliteit van de procedure zal afnemen, én dat vluchtelingen minder
beroepsmogelijkheden zullen krijgen.
Internationaal worden thuislanden meer onder druk gezet om hun
vluchtelingen terug te nemen. In ruil voor geld wordt aan landen als Marokko en
Libië gevraagd om vluchtelingenkampen uit te bouwen, als buffer tegen de
‘vluchtelingenstroom’ naar Europa. Of om asielzoekers naar terug te sturen,
zodat het asielonderzoek buiten Europa kan gebeuren.
Vooral in de pers wordt zware taal gebruikt tegen de ‘illegalen’,
voornamelijk om aan de publieke opinie te tonen dat men het probleem onder
controle heeft of toch zeker grondig wil aanpakken.
Repatriëring
(het gedwongen terugbrengen van uitgeprocedeerde vluchtelingen naar hun
thuisland) wordt daarbij als één van de remedies gezien. Op deze repatriëringen
valt veel aan te merken. Vaak zijn er weinig tot geen garanties dat de
teruggeleide vluchteling in veiligheid kan terugkeren. Mensen worden terug
gedropt in het land waar ze net van de problemen gingen vluchten, soms zelfs in
een ander land dan hun thuisland. Het hele systeem van arrestaties en gesloten
centra – waar we later op terug komen – doet erg denken aan het selectief
arresteren én terugleiden van een bepaalde bevolkingsgroep. In die zin zijn de
repatriëringen van vandaag deportaties in de historische zin van het woord, en
bieden ze helemaal geen oplossing voor het migratieprobleem.
Naast de
deportaties hoopt het beleid de migratieproblematiek ook aan te pakken door het
mensen moeilijker te maken het land binnen te komen. Dit gebeurt enerzijds door
het verengen van de ‘toegang’ (enkel politieke vluchtelingen mogen binnen, een
strengere asielprocedure en procedure voor gezinshereniging,…) maar ook door
het fysiek verscherpen van de grenscontroles. Zeggen dat het ‘optrekken van de
grenzen’ de instroom van vluchtelingen kan tegenhouden, is echter een illusie.
Ondanks de brede regularisatiecampagne van 1999 en het verstrengen van de
grenscontroles sedertdien, zitten we nu opnieuw met 90.000 tot 150.000 mensen
zonder wettig verblijf in België.
Het vooral
gericht zijn op het sporadisch verwijderen of tegenhouden van mensen zonder
wettig verblijf, getuigt niet van een onderbouwde visie rond migratie en asiel.
‘Illegalen’ worden hierbij gezien als een kankergezwel in de maatschappij, dat
te isoleren en weg te snijden valt waarna de maatschappij weer ‘gezond’ zal
zijn. Zo’n visie houdt geen rekening met de oorzaken van de ziekte.
Een asielbeleid dat illegaliteit crëeert
In de huidige discussies wordt door het beleid duidelijk een onderscheid
gemaakt tussen twee groepen vluchtelingen: zij die hier al jaren zijn en nog
een procedure lopen hebben, en zij die al lang het bevel kregen om het
grondgebied te verlaten maar toch hier bleven. De eerste groep is duidelijk
slachtoffer van een te trage procedure, maar voor de tweede groep heeft het
beleid geen medelijden. Die werden immers – door een asielprocedure die ‘streng
maar rechtvaardig’ genoemd wordt – afgewezen, wat wil zeggen dat ze in het
thuisland niet echt gevaar lopen. Als die mensen dan toch beslissen hier te
blijven en ‘onder te duiken’ – zo stelt het beleid - is dat hun eigen verantwoordelijkheid en
moeten ze de gevolgen maar dragen.
Er zijn echter heel wat vragen te plaatsen bij de ‘rechtvaardige’ werking van
ons asielbeleid en de asielprocedure.
Deze procedure moet zoals gezegd uitmaken of een asielzoeker wel een
‘politiek vluchteling’ is, en dus in België mag blijven. De asielprocedure
werkt volgens de ‘Conventie van Genève’. Dit is een in 1951 door België (en een
heleboel andere VN-landen) ondertekende tekst, waarin bepaald wordt wie als
vluchteling ‘erkend’ mag worden. Dit zijn de zogenaamd ‘politiek
vluchtelingen’: mensen die in hun eigen land vervolgd werden of vervolging
vreesden omwille van 1. hun politieke strekking, 2. hun godsdienst, 3. hun
nationaliteit, 4. hun etnie of 5. hun behoren tot een bepaalde sociale groep,
en die hiertegen de bescherming van hun autoriteiten niet konden of wilden
inroepen.
Tijdens opeenvolgende interviews bij verschillende instanties (Dienst
Vreemdelingenzaken, Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen,
Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen) wordt door een ambtenaar nagegaan of
het verhaal van de vluchteling binnen één van de vijf ‘criteria van Genève’
past. Is dit het geval, krijgt de vluchteling een erkenning als ‘politiek
vluchteling’ en mag hij hier blijven.
Door de heersende negatieve sfeer tegenover vluchtelingen, wordt deze
procedure evenwel steeds strenger toegepast. Hoewel het UNHCR beveelt dat de
vluchteling tijdens de interviews ‘het voordeel van de twijfel’ moet worden
gegund, melden veel vluchtelingenorganisaties dat eerder het ‘nadeel van de
twijfel’ speelt. Vluchtelingen worden gevraagd naar irrelevante details, moeten
officiële bewijsstukken van hun verhaal kunnen voorleggen, worden verwacht hun
– vaak traumatiserend – vluchtverhaal na maanden letterlijk te kunnen
herhalen,… De druk bij de asielinstanties om ‘zo streng mogelijk’ te zijn is zo
groot, dat er volgens ons onvoldoende garanties zijn dat iedereen die
bescherming nodig heeft, die ook krijgt. Vele échte politiek vluchtelingen, die
in principe het statuut zouden moeten krijgen, worden vaak met drogredenen
afgewezen.
De druk en strenge behandeling zal er, volgens vele vluchtelingenorganisaties,
bij de hervormde asielprocedure niet minder op worden.
Wij pleiten voor een ruimhartigere omgang en interpretatie van de conventie
van Genève. Er moet ook werk gemaakt worden van een extra beschermingsstatuut
voor oorlogsslachtoffers.
Bovendien is het voor een deel van de mensen zonder wettig verblijf
onmogelijk om naar hun thuisland terug te keren. Hiervoor moet de ambassade van
het thuisland immers de nodige documenten afleveren, en sommige ambassades
weigeren dit. Of er is eenvoudigweg geen ambassade om de documenten af te
leveren, omdat het land al jaren in oorlog is en er geen administratie meer is.
In plaats van deze mensen een (voorlopige) verblijfsvergunning te geven, geeft
de Belgische overheid hen vaak – na mislukte pogingen om hen gedwongen uit te
wijzen – het bevel om op eigen kracht binnen de vijf dagen België te verlaten.
Terwijl de overheid zélf weet dat deze mensen niet terug kúnnen.
Zo blijkt dat niet iedereen die hier in de illegaliteit vertoeft een
‘onderduiker’ is, die eigenlijk wel terug kan. Het beleid duwt integendeel veel
mensen in de illegaliteit, die eigenlijk een beter statuut verdienen. Het
beleid crëeert zelf gedeeltelijk het illegaliteitsprobleem.
We hebben zoals gezegd niet enkel bedenkingen bij de werking van de
procedures. Ook de manier waarop met mensen zonder wettig verblijf omgegaan
wordt, is nu te eenzijdig repressief. Wij denken dat alternatieve, meer
menselijke pistes mogelijk zijn.
Zelfstandige terugkeer ondersteunen
Ten eerste
dient het beleid meer de projecten van zelfstandige terugkeer te ondersteunen,
waarbij mensen degelijk begeleid worden in het uitdenken van een mogelijk
toekomstperspectief in hun thuisland. Dit moet evenwel in samenspraak met en op
vraag van de vluchteling zélf gebeuren. De zelfstandige keuze blijft hierin
essentieel. Een overdreven nadruk op gedwongen terugkeer maakt de context van
terugkeer alleen repressiever, en bemoeilijkt een open, serene sfeer, nodig om
op een overwogen manier over terugkeer na te denken.
Begeleiding
bij zelfstandige terugkeer moet meer worden dan het voorzien in reisdocumenten,
vliegtuigticket en terugreis. Het beleid wil vrijwillige terugkeer al meer
stimuleren, maar wij denken dat er niet enkel moet gewerkt worden aan de
begeleiding hier. Ook in de thuislanden moet meer werk gemaakt worden van
reïntegratieprojecten, die uitgeprocedeerden hier een echt perspectief bieden
in het thuisland. Uiteraard zal dit ook extra financiële middelen vragen.
Regularisatie
mogelijk en duidelijk maken
Ten tweede
moet de piste van regularisatie voor een deel van de mensen zonder wettig
verblijf ernstig onderzocht worden. Zoals gezegd is het ‘illegaal verblijf’ van
een deel van die mensen gecreëerd door het beleid zelf. Het beleid draagt de
verantwoordelijkheid het verblijf van deze mensen tóch wettelijk te maken (=
regularisatie).
Nood aan een
eenmalige regularisatie
Minister Dewael sleutelt op dit moment aan een hervorming van de hele
asielprocedure, de wetgeving rond artikel 9§3, Raad van State en gezinshereniging.
De nieuwe wetgeving zal evenwel enkel van toepassing zijn op de nieuwe
asielzoekers die ná het intreden van de nieuwe wetgeving België zullen binnen
komen. Maar op dit moment zitten nog duizenden mensen met hun dossier in één
van die procedures. Deze mensen moeten volgens Dewael gewoon hun procedure
uitzitten, terwijl ze vaak al jaren op antwoord wachten.
Wij willen vragen om iedereen, die al meer dan drie jaar in één van die
procedures zit zonder een antwoord gekregen te hebben, automatisch te regulariseren.
[Wij willen ook de automatische regularisatie vragen voor mensen die meer dan
vijf jaar in een opeenvolging van procedures zitten (asielprocedure met beroep
bij Raad van State, art963 met beroep bij Raad van State,…) -> definitef in
tekst na stemming op 27/2 op AV van FAM] Op die manier kan in één klap de
achterstand in de dossiers worden weggewerkt, en kan de nieuwe wetgeving met
een schone lei beginnen.
Nood aan een
regularisatiewet
Naast de eenmalige
regularisatie op korte termijn, hebben we op lange termijn nood aan een
duidelijke regularisatiewet.
Op dit
moment is de wetgeving rond regularisatie erg vaag. Artikel 9, paragraaf 3 van
de vreemdelingenwet zegt enkel dat zo’n aanvraag tot wettelijk verblijf door
mensen zonder wettig verblijf kan gevraagd worden in ‘buitengewone
omstandigheden’. Wat die ‘buitengewone omstandigheden’ juist zijn, wordt
nergens gedefinieerd. Een ministeriële omzendbrief van 1998 schepte hierin een
beetje meer duidelijkheid. Maar in de praktijk merken vluchtelingenorganisaties
dat het al dan niet toekennen van een regularisatie erg afhangt van de minister
die op dat moment op Binnenlandse Zaken zit. De minister is hierbij uitvoerende
én wetgevende macht tegelijkertijd: dit ‘invullen volgens goeddunken’ is een
schending van de scheiding der machten.
De vage wetgeving creëert bij vele asielzoekers ook valse hoop: er worden
massaal veel aanvragen ingediend (met overlast en achterstal tot gevolg) die op
voorhand al een verloren zaak zijn. Advocaten maken soms ook misbruik van die
vaagheid om hun cliënten extra zaken aan te smeren, of zien zélf door de bomen
het bos niet meer en geven onvoldoende correct advies.
Onder druk
van basisbewegingen beslist de minister van Binnenlandse Zaken sporadisch tot
de regularisatie van (een deel van) de aanwezige mensen zonder wettig verblijf.
Zo’n ‘one-shot-operatie’ is meestal beperkt in tijd en stelt een aantal
criteria om geregulariseerd te kunnen worden.
Maar zo
een operatie is oneerlijk: mensen worden geregulariseerd afhankelijk van hun
situatie, maar een familie in exact dezelfde situatie vist – na het aflopen van
zo’n operatie – naast het net.
Als
rechtstaat heeft België – én zijn mensen zonder wettig verblijf - daarom nood
aan een duidelijke regularisatiewetgeving, waar permanente en duidelijke
criteria worden beschreven die regularisatie mogelijk maken. Wij steunen hierin
de voorstellen die binnen het Forum Asiel en Migratie worden geformuleerd.
Regularisatie en
economie
Niet
alleen mensen zonder wettig verblijf zijn gebaat bij een regularisatie. Onze
hele economie kan er wel bij varen.
Wie
geregulariseerd is, zal ook mee belastingen moeten betalen, en zo mee bijdragen
aan onze economie. De geregulariseerde werknemers zouden ook moeten bijdragen
aan de sociale zekerheid, wat de sociale pot voor ons allemaal meer zou spekken
(en we dus meer geld hebben voor pensioenen, werkloosheids- en
invaliditeitsuitkeringen,…)
Regularisatie
kan ook een antwoord bieden op een aantal economische problemen. Zo zijn er de
knelpuntberoepen: zware en arbeidsintensieve jobs als de bouw, landbouw,
fruitteelt, schoonmaak, huishoudelijke hulp,… waar moeilijk Belgen voor
gevonden worden.
Opvallend
is dat minister Dewael nu al praat om niet-EU-onderdanen voor dit soort
knelpuntberoepen wél in België toe te laten. Na de immigratiestop van 1973 zou
daarbij economische migratie dus terug mogelijk zijn. Veel mensen zonder wettig
verblijf zijn echter óók bereid deze jobs uit te voeren – en vullen ze nu vaak
al ‘in het zwart’ in. Deze mensen zijn al meer geïntegreerd dan nieuwe
arbeidskrachten zouden zijn, spreken vaak Nederlands én hebben dikwijls zelfs
de vereiste competenties. Veel mensen zonder wettig verblijf hebben in eigen
land ook andere competenties en diploma’s verworven, die ze nu echter niet
kunnen benutten omdat ze niet legaal mogen werken. Deze mensen regulariseren
zou ook maatschappelijk een meerwaarde betekenen.
Bovendien
zal de actieve bevolking in heel Europa tussen 2012 en 2020 sterk dalen. Door
de vergrijzing zullen er meer niet-werkenden dan werkenden komen. Het ‘United
Nations Populations Fund’ heeft
uitgerekend dat de 15 originele EU-lidstaten per jaar 1,5 miljoen immigranten
nodig heeft om die niet-werkende laag te onderhouden en tot 2050 de populatie
in evenwicht te houden.
Maar
daarvoor zullen natuurlijk ook meer jobs nodig zijn. En er is nu al een nijpend
tekort aan werk. Dit heeft – naast economische factoren – echter ook met politieke
onwil te maken om daadwerkelijk in werk te investeren. Het probleem is niet een
teveel aan arbeidskrachten, noch een tekort aan werk, maar een tekort aan jobs.
Er is werk genoeg, maar dat moet nu – door de concurrentiestrijd en het gesnoei
in jobs – steeds meer door steeds minder mensen gedaan worden. De strijd voor
meer jobs is er zo één van allochtonen én autochtonen, één waar vakbonden van
autochtone werkers én geregulariseerden samen werk van zullen moeten maken.
Alternatieven
voor de gesloten centra
Wij
stellen ons ook ernstige vragen bij de gesloten centra, waar mensen zonder
wettig verblijf worden vastgezet ter afwachting van hun gedwongen uitwijzing.
De
gesloten centra lijken ons vooral een publiciteitsstunt, waarmee het beleid
enerzijds (potentiële) asielzoekers wil afschrikken, en anderzijds naar de
publieke opinie de indruk wil wekken de situatie onder controle te hebben. In
werkelijkheid is dit niet zo.
De
gesloten centra zijn volgens ons inefficiënt. Zelfs al moest een streng
uitwijsbeleid de bedoeling zijn, hebben de centra een veel te kleine capaciteit
om dit effectief te realiseren. Vaak worden personen weer vrijgelaten omdat ze
niet kunnen uitgezet worden. De centra zijn bovendien erg kostelijk.
De centra
zijn ook discriminerend. Het is louter afhankelijk van toeval wie wordt
opgesloten en wie niet (afhankelijk van politiecontroles, wijze van
binnenkomst,…)
De centra
zijn ook in strijd met principes van internationale verdragen. Zo worden
kinderen in de centra opgesloten (wat in strijd is met het
kinderrechtenverdrag) en zijn juridische bijstand en rechten van de gevangenen
onvoldoende gewaarborgd.
Daarom
vragen wij de afschaffing van de gesloten centra door het uitwerken van
alternatieven voor opsluiting. Dit vraagt evenwel een globaal ander asiel- en
migratiebeleid, waarvoor tips in deze tekst staan. Wij beseffen dat de
problematiek complex is, maar willen toch de politieke moed vragen naar
realistische én menselijke in plaats van inefficiënte en onmenselijke
oplossingen te zoeken.
Een
mogelijke piste is het aanbieden van vrijwillige opvang van mensen zonder
wettig verblijf, waar intensief en samen met de betrokkenen naar een
realistisch toekomstperspectief gezocht wordt.
In
afwachting van een alternatief op de gesloten centra dienen sowieso een aantal
dringende maatregelen genomen te worden, zoals het verbieden van de detentie
van minderjarigen en asielzoekers die nog in een procedure zitten. De
parlementaire en rechterlijke controle op de gesloten centra moet ook versterkt
worden.
4. Werk maken van ontwikkeling
Het
globale kader
Vaak wordt er met paniekreacties gereageerd als het om opvang van
vluchtelingen gaat. ’We worden overspoeld door vluchtelingen! We kunnen toch
niet de miserie van heel de wereld opvangen?’
Nee, dat kunnen we niet. Maar dat doén we ook niet. Volgens de Verenigde
Naties vangt Europa slechts 24% van de
wereldwijde vluchtelingen op. Zuid-Amerika, Azië en Afrika – waar de
infrastructuur én de middelen om vluchtelingen op te vangen veel minder zijn –
vangen respectievelijk 11%, 37% en 23% van de wereldwijde vluchtelingen op.
(Hierbij valt op dat het merendeel van de vluchtelingen in eigen land blijven,
of enkel uitwijken naar directe buurlanden.) Noord-Amerika vangt slechts 5% van
de wereldwijde vluchtelingen op.
Het globale kader helpt ons om vluchtelingenstromen beter te begrijpen. De
rijkdom in de wereld is heel ongelijk verdeeld. Als we alle mensen van de
wereld van arm tot rijk op een hoop leggen, en we delen die hoop in vijf, zien
we dat de bovenste en rijkste 1/5e 85 tot 90 % van de wereldrijkdom
bezit. De onderste en armste 1/5e laag moet het daarentegen met z’n
allen stellen met 1% van die wereldrijkdom. Van de zes miljard mensen op deze
planeet leven 5 miljard in ontwikkelingslanden, en die 5 miljard moeten het
samen stellen met 22% van al het geld op de wereld. Heel veel rijkdom zit dus bij heel weinig
mensen, en die bevinden zich vooral in het Noorden.
Bovendien geeft het arme Zuiden veel meer geld af aan het Noorden, dan
omgekeerd. Het bedrag dat het Noorden jaarlijks aan het Zuiden geeft aan
ontwikkelingshulp, valt in het niets naast de fenomenale bedragen die jaarlijks
van het Zuiden naar het Noorden vloeien. Het zuiden verliest veel van haar
rijkdom door lage ruilvoeten, erg oneerlijke handel met lage prijzen voor hun
grondstoffen, grote bedrijven die zich (goedkoop) in het Zuiden vestigen, maar
nadien hun zo gemaakte winsten weer doorsluizen naar het Noorden,…
In de context van de erg ongelijke verdeling van de wereldrijkdom is het
niet verwonderlijk dat mensen op de vlucht slaan, en op zoek gaan naar plaatsen
waar het leven beter is. In die context is het ook erg moeilijk een onderscheid
te maken tussen economische en politieke vluchtelingen. Waarom zou een politiek
vluchteling, die zich verzette tegen een dictatuur, meer recht op opvang hebben
dan een landgenoot die vluchtte voor de armoede die die dictatuur veroorzaakte?
Ontwikkeling
als doel op zich
In dit
globale kader is het duidelijk dat er pas écht iets kan gedaan worden aan de
migratieproblematiek, als er werk wordt gemaakt van een meer rechtvaardige
wereldorde. Enkel het ‘opkuisen van illegalen’ is geen oplossing: er moet
structureel gewerkt worden aan de oorzaken van migratie. Er moet echt werk
gemaakt worden van ontwikkeling van de thuislanden.
Minister
Patrick Dewael heeft dit ook begrepen. Zijn toepassing is echter beperkter. Hij
is bereid te praten over meer ontwikkelingshulp, maar doet dit in het kader van
een migratiepolitiek. Zo wil hij wel meer hulp geven, maar enkel als het derde
land bijvoorbeeld bereid is zijn hier uitgeprocedeerde landgenoten
gemakkelijker terug te nemen. En als er meer terugnameakkoorden tot stand
komen.
Wij
juichen de aandacht van minister Dewael voor meer ontwikkelingssamenwerking
toe. Maar dit moet een doel op zich
zijn; geen middel om terugnameakkoorden af te dwingen. Dit is ethisch
onverantwoord. De wens om het asiel- en migratieprobleem hier aan te pakken, is
geen goede basis voor het uittekenen van een ontwikkelingsbeleid, laat staan
voor de keuze van partnerlanden. Ontwikkelingssamenwerking moet uitgetekend
worden op basis van de noden van de derde landen, niet op basis van ons
eigenbelang.
Een meer
rechtvaardige verdeling van de wereldrijkdom kan er enkel komen als er
structureel iets verandert aan globale economische systemen. Oneerlijke
wereldhandel is daarbij één van de grote boosdoeners. Minister Dewael stelt
zelf: ‘Onze rijke Europese regio moet
meer nog dan hij vandaag doet het protectionisme, de importheffingen en de exportsubsidies
afbouwen die verhinderen dat de mensen in de ontwikkelingslanden kansen
krijgen. De ontwikkelingshulp moet opgedreven worden en gericht zijn op de
economische ontwikkeling van de derde wereld.’
Wij
ondersteunen deze uitspraak volledig, en hopen dat de minister hier, samen met
zijn collega’s uit de andere landen, echt werk van zal maken. Het mag niet bij
loze woorden blijven.
Werk maken
van de millenniumdoelstellingen
Om échte ontwikkeling
in de thuislanden van vluchtelingen op gang te brengen, zou minister Dewael,
samen met zijn internationale collega’s, werk moeten maken van de
millenniumdoelstellingen. Deze werden in 2000 door alle toenmalige VN-landen
(waaronder België) ondertekend. Het zijn erg ambitieuze doelstellingen, waarbij
de ondertekenaars zich ertoe verbinden tegen 2015 een groot deel van de armoede
en ellende uit de wereld te helpen.
Als de 8 milleniumdoelstellingen gehaald worden, ziet de wereld er in 2015
als volgt uit:
·
Het aantal mensen dat in extreme
armoede leeft, is gehalveerd ten opzichte van 1990. Dit geldt ook voor het
aantal mensen dat honger heeft
·
Alle kinderen op de wereld volgen
basisonderwijs
·
Meisjes krijgen dezelfde kansen als jongens, in het
basis- en middelbaar onderwijs reeds in 2005, tegen 2015 op alle
onderwijsniveaus
·
Het sterftecijfer van kinderen onder de
vijf jaar is met twee derde teruggebracht ten opzichte van 1990
·
De moedersterfte is met driekwart
teruggebracht ten opzichte van 1990
·
Er is een halt toegeroepen aan de
verspreiding van HIV/Aids, malaria en andere ziektes
·
We voeren overal een goed milieubeleid
en het onomkeerbare verlies van natuurlijke hulpbronnen is gestopt. Het aantal
mensen zonder toegang tot veilig drinkwater is gehalveerd en de
levensomstandigheden van ten minste honderd miljoen mensen in sloppenwijken is
aanzienlijk verbeterd
·
Wereldwijd wordt samengewerkt op het
gebied van ontwikkeling. Er zijn afspraken over goed bestuur, landen voeren
eerlijke handel met elkaar en er is een eerlijk financieel systeem op poten
gezet. Het schuldenprobleem van ontwikkelingslanden is opgelost en de
ontwikkelingslanden beschikken over nieuwe technologieën. Samen met
ontwikkelingslanden is er fatsoenlijk werk voor jongeren gecreëerd
Vijf jaar na de
ondertekening van de doelstellingen willen we – samen met de ngo-koepel
11.11.11. - de regeringsleiders herinneren aan hun beloften. Om de
doelstellingen te halen, moet er nog veel werk verzet worden. Daarom vragen we,
samen met 11.11.11.:
1. Ontwikkelingssamenwerking met een
structurele aanpak (geen oplapwerk) en dit in overleg met regeringen en
organisaties in ontwikkelingslanden.
2. Volledige kwijtschelding van
schulden van arme landen
3. Rechtvaardige handelsrelaties met
het zuiden
4. Meer geld voor ontwikkelingssamenwerking
(minstens 0,7 % van het Belgische BNP vanaf 2010)