5. ASIEL EN IMMIGRATIE

 

5.1 Asielbeleid

 

5.1.1. Beleidsdoelstellingen

 

Met betrekking tot het asielbeleid worden de volgende objectieven vooropgesteld:

·         op nationaal vlak de organisatie van een efficiënte asielprocedure die de mogelijkheid biedt tot het verlenen van bescherming aan diegenen die bescherming nodig hebben;

·         op internationaal vlak de realisatie van een geharmoniseerd Europees asielbeleid.

 

5.1.2. Verslag van de uitvoering in 2008

 

5.1.2.1.            De hervorming van de asielprocedure

 

De wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 heeft de asielprocedure grondig gewijzigd. De nieuwe asielprocedure is geheel in werking getreden op 1 juni 2007.

 

De wet heeft de status van subsidiaire bescherming ingevoerd en duidelijke criteria voor de beoordeling van de status van vluchteling (conform het Verdrag van Genève) vastgelegd. Op die manier is een alomvattende regeling voor de bescherming van vluchtelingen tot stand gekomen.

 

Met de nieuwe asielprocedure werd de basis gelegd voor een goede, evenwichtige en efficiënte asielprocedure. De asielzoeker heeft de reële mogelijkheid om al zijn elementen voor te leggen en bij een negatieve beslissing, beschikt hij over een effectief rechtsmiddel die de rechten van de verdediging ten volle garandeert. De nieuwe procedure biedt tevens de mogelijkheid om alle asielaanvragen binnen korte tijd te behandelen.

 

 

In 2008 werd er verder prioriteit verleend aan:

 

·         de organisatie van de nieuwe Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;

·         de reorganisatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, rekening houdend met de nieuwe procedureregels, nieuwe opdrachten in de procedure, … in uitvoering van de nieuwe asielwetgeving.

 

 

Het aantal asielaanvragen is in 2008 ongeveer gelijk gebleven in vergelijking met 2007. In 2008 werden er voor de eerste negen maanden 8.876 asielaanvragen ingediend. Opvallend is het relatief hoog aantal meervoudige asielaanvragen.

 

 

Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden voor de nieuwe beroepen de beslissingen binnen de door de wet vastgelegde termijnen genomen. Maar er bestaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog steeds een achterstand van 6.977 dossiers, zijnde de dossiers van de oude Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen.

 

Ook de Raad van State blijkt in het kader van de nieuwe procedure systematisch voor de nieuwe beroepen binnen korte tijd een beschikking of arrest te vellen. Voor de asieldossiers is in 2008 ook de achterstand intussen verder weggewerkt.

 


5.1.3. Objectieven voor 2009

 

5.1.3.1             De organisatie van een efficiënte asielprocedure

 

De asielinstanties, namelijk, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zullen nagaan hoe de achterstand van dossiers kan weggewerkt worden bij beide instanties en of er bijkomende maatregelen nodig zijn om een efficiënte behandeling tegen hoge voorwaarden van kwaliteit te garanderen. Hierbij blijft als voornaamste objectief gelden: het bieden van bescherming aan diegenen die bescherming nodig hebben.

 

5.1.3.2.            Een aantal wetgevende initiatieven

 

Ten einde de asielwet volledig in overeenstemming te brengen met de Europese Richtlijn 2005/85/EG betreffende de minimumcriteria voor de asielprocedure, zal de asielwet op een aantal punten verbeterd worden:

 

·         een aantal technische verbeteringen kunnen worden aangebracht;

·         de bestaande regeling voor versnelde behandeling van bepaalde categorieën van asieldossiers (vastgelegd in art. 52 van de vreemdelingenwet) zal worden aangepast.

 

 

Conform het regeerakkoord zal een procedure voor het bepalen van de status van staatlozen uitgewerkt worden. Een ontwerp van wet zal in 2009 aan het Parlement voorgelegd worden.

 

 

5.1.3.3.            Het Europees asielbeleid

 

 

Op Europees vlak zijn er de voorbije jaren een aantal belangrijke stappen gezet in de richting van een harmonisering van het asielbeleid. Er moeten nog heel wat stappen gezet worden om dit objectief te realiseren.

 

 

 

Het is belangrijk om zo snel mogelijk verdere stappen te zetten in de richting van een geharmoniseerd asielbeleid:

·         door de praktische samenwerking tussen asieldiensten uit te breiden en efficiënter te maken;

·         door mechanismen te creëren die de lidstaten verplichten de asielwetten op uniforme wijze toe te passen;

·         door mechanismen te creëren die de solidariteit tussen de lidstaten garanderen.

 

 

 

De Europese Commissie heeft in een mededeling in juli 2008 een ambitieus programma voor de realisatie van een geharmoniseerd asielbeleid voorgesteld. België zal dit programma ondersteunen en op actieve wijze meewerken aan de realisatie hiervan. Doel is te komen tot een Europees asielbeleid dat gestoeld is op een globale visie op asiel en dat het principe van de bescherming van diegenen die bescherming nodig hebben als voornaamste objectief vooropstelt.

 

De commissie zal een aantal voorstellen doen om de samenwerking tussen de diensten van verschillende lidstaten te versterken. Het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen speelde hierbij in het kader van verschillende projecten (zoals het ambitieuze vormingsproject EAC) en conferenties (b.v. Eurasil of GDISC) een actieve rol. De praktische samenwerking tussen de asielinstanties zal overigens versterkt worden door de oprichting van een Europees ondersteuningsbureau. De Europese Commissie zal tijdens het eerste trimester van 2009 een concreet voorstel in deze zin voorleggen.

 

 

 

Wat betreft dit voorstel heeft België een reeks taken voor dit bureau gesuggereerd die de Europese Commissie zouden moeten inspireren in het opstellen van haar project. Het betreft meer bepaald:

-          de beoordeling van specifieke profielen van asielaanvragers vergemakkelijken

-          de manier van toepassing van beschermingscriteria evalueren

-          een gemeenschappelijke evaluatie van de situatie in landen van oorsprong.

-          Het ondersteunen, in crisismomenten, van regio’s die onder zware druk staan

-          Projecten in het kader van het Europees Vluchtelingenfonds coördineren

-          Gemeenschappelijke vorming voor ambtenaren organiseren.

 

Eind 2008 zal richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen geamendeerd worden, waarbij het werkingsgebied wordt uitgebreid naar personen die internationale bescherming genieten. Deze richtlijn zal daarna in het Belgisch recht moeten worden omgezet.

 

In 2009 zal ook nagedacht worden over hoe de solidariteit met lidstaten waarvan het asielsysteem onder grote druk staat georganiseerd kan worden en over de versterking van de regionale beschermingsprogramma’s. Er werd ook verder nagedacht over de mogelijke uitbouw van een Europees hervestigingbeleid. In de loop van 2009 zal daaraan verder gewerkt worden. België blijft principieel voorstander van een Europees hervestigingbeleid en onderzoekt mogelijke Belgische deelname aan concrete hervestigingprojecten in de toekomst.

 

Voor 2009 staat tevens de herziening van een aantal van de belangrijkste richtlijnen op het vlak van asiel op de Europese agenda (o.a. de kwalificatierichtlijn, de procedurerichtlijn, de opvangrichtlijn en de Eurodac verordening). Dit is een belangrijke stap in het streven naar een geharmoniseerd asielbeleid en het wegwerken van de divergenties tussen de Europese lidstaten.

 

 

5.2   Migratiebeleid

 

5.2.1.      verblijf van maximum drie maanden

 

Wat betreft het visumbeleid, heeft België zich steeds uitgesproken ten gunste van een geïntegreerd beleid omdat de illegale immigratiestromen enkel met een dergelijk beleid op een efficiënte wijze kunnen worden voorkomen. In 2005 werden verschillende projecten die bijdragen tot de invoering van het gemeenschappelijk visumbeleid en de integratie van het Schengenacquis, aangenomen en verder ontwikkeld.

 

 

5.2.1.1             VIS

 

Het Europees initiatief met betrekking tot het Visuminformatiesysteem (VIS) (de beschikking 2004/512 van de Raad van de EU van 8 juni 2004) wordt ondersteund door België. De Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie op het gebied van visa voor kort verblijf die tot doel heeft het systeem en zijn werking te definiëren, werd in 2008 goedgekeurd door alle Lidstaten. De verordening is de wettelijke basis om het Visuminformatiesysteem verder te ontwikkelen. In de loop van 2009 zal men beginnen met de geleidelijke uitrol van het VIS.

 

In verband met de VIS-verordening is de groep begonnen met de lezing van het Voorstel van Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de gemeenschappelijke visuminstructies aan de diplomatieke en consulaire beroepsposten in verband met de invoering van biometrische identificatiemiddelen, met inbegrip van bepalingen over de organisatie van de inontvangstneming en de behandeling van visumaanvragen. Dit instrument moet de rechtsgrond verschaffen voor de verplichte afname van biometrische kenmerken van visumaanvragers voorgeschreven door het VIS en voor de organisatie van de consulaten met het oog op de toepassing. De besprekingen hebben geleid tot een compromis in de Raad, maar het Europees Parlement heeft het Voorstel in de eerste lezing verworpen. Bijgevolg werden nieuwe besprekingen tussen de Voorzitter van de Raad, de Commissie en het Europees Parlement aangegaan zodat het Voorstel in een tweede lezing door het Europees Parlement kan goedgekeurd worden. De goedkeuring wordt spoedig verwacht.

 

5.2.1.2             Europese visumpolitiek

 

De inspanningen om de Europese visumpolitiek te harmoniseren ten einde de visashopping en illegale immigratie te bestrijden worden verdergezet. In de loop van 2009 kan er een akkoord verwacht worden omtrent de ontwerpverordening voor het vaststellen van een gemeenschappelijke visumcode.

 

De strijd tegen de fraude bij het indienen van een visumaanvraag blijft een prioriteit. Het afnemen van biometrische kenmerken (vingerafdrukken en foto) van de meeste vreemdelingen is op dit ogenblik mogelijk als gevolg van een wijziging van de wet van 15 december 1980. Deze biometrische maatregelen moeten het in de eerste plaats mogelijk maken de identiteit van een vreemdeling vast te stellen of te controleren. Het uitvoeren van deze bepaling is het voorwerp van een actieplan dat momenteel wordt uitgewerkt.

 

5.2.1.3             Databank «Garanten»

 

Er wordt gewerkt aan de oprichting van een databank die alle garanten bevat die een verbintenis tot tenlasteneming hebben onderschreven, overeenkomstig de artikelen 3 bis (kort verblijf) of 60 (verblijf student) van de wet van 15 december 1980 of als ongehuwd samenwonende partner.

 

De oprichting van deze databank heeft een dubbele doelstelling: enerzijds het bestrijden van onrechtmatige tenlastenemingen (b.v. gebruik van valse documenten, verschillende verbintenissen die door dezelfde persoon worden onderschreven), anderzijds het vergemakkelijken van de terugvordering bij de garant van de kosten die door de vreemdeling werden gemaakt en door de Belgische Staat werden gedragen.

 

Dit project wordt mede gefinancierd door het Buitengrensfonds. Vanaf 2010 financiert het Buitengrensfonds dit project, met voor het eerste jaar een injectie van 50.000 euro, gevolgd door jaarlijks 100.000 euro, tot en met 2013 (infra punt 5.2.5.1).

 

 

5.2.2.   Verblijf van meer dan drie maanden

 

5.2.2.1             Gezinshereniging

 

De wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 is op 1 juni 2008 in werking getreden. Deze wet zorgt voor de omzetting van de richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht op vrij verkeer en verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden en de richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (infra punt 5.2.2.2).

 

EU onderdanen

 

Voor de burgers van de Unie en hun familieleden zijn de nodige uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd op 7 mei 2008. De gemeenten, die een belangrijke taak hebben gekregen bij de nieuwe verblijfsprocedure, kregen de nodige informatie via vormingen en de instructies van 23 mei 2008.

 

 

De belangrijkste wijzigingen in de verblijfsprocedure zijn de volgende:

 

-          de EU-burgers en hun familieleden verkrijgen gedurende een eerste periode van drie jaar voortaan slechts een voorwaardelijk verblijfrecht dat ingetrokken kan worden indien zij niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldoen, of indien ze een onredelijke belasting voor de sociale zekerheid zijn. Tijdens het derde jaar is dit weliswaar enkel mogelijk wanneer er elementen zijn die wijzen op een schijnsituatie. Na drie jaar verkrijgt men een duurzaam verblijfsrecht, dat enkel nog in geval van fraude verloren kan gaan;

 

-          aangezien overeenkomstig de richtlijn aan de burgers van de Unie geen verblijfsdocumenten meer mogen afgeleverd worden, ontvangen zij voortaan een verklaring van inschrijving en kunnen zij in principe met een enkel bezoek aan de gemeente hun verblijfsprocedure regelen. Zij worden bij de eerste aanmelding bij de gemeente onmiddellijk ingeschreven en moeten de woonstcontrole niet afwachten;

 

-          de niet-gehuwde partners van een burger van de Unie verkrijgen voortaan ook een wettelijk recht op gezinshereniging. De echtgenoten van ascendenten en descendenten vallen daarentegen niet langer onder het toepassingsgebied van gezinshereniging. Familieleden van een Belg worden op dezelfde manier behandeld als familieleden van een burger van de Unie, met dit verschil dat bijkomende garanties gevraagd worden indien de ascendenten een Belg komen vervoegen. Waar mogelijk werden dezelfde principes hernomen die gelden voor gezinshereniging met niet-EU-onderdanen (b.v. tijdelijk verblijf gedurende 2 à 3 jaar, gezinshereniging van partners,…).

 

 

 

Niet EU onderdanen

 

In het kader van gezinshereniging zal voorts een wetswijziging vereist zijn om de voorwaarde van regelmatige, voldoende en toereikende bestaansmiddelen, zoals voorzien door het regeerakkoord, in te voeren.

 

Zoals toegelaten door Europese richtlijn 2003/86, zou ook een integratievereiste kunnen voorzien worden. Dit kan gerealiseerd worden door middel van samenwerkingsakkoorden met de gemeenschappen, die immers bevoegd zijn voor integratie.

 

Strijd tegen schijnhuwelijken

 

Het fenomeen schijnhuwelijken is zeer kenmerkend voor de pseudo-legale immigratie. Het misbruik van het verblijfsrecht als huwelijkspartner of partner in het kader van de wettelijke samenwoonst neemt zulke proporties aan dat nieuwe middelen of vormen van samenwerking moeten worden uitgewerkt om het oneigenlijk gebruik van de instelling van het huwelijk of de wettelijke samenwoonst, te bestrijden.

 

-          Naast de omzendbrief van 13 september 2005 betreffende de uitwisseling van informatie tussen de ambtenaren van de burgerlijke stand in samenwerking met de Dienst Vreemdelingenzaken vormt de wet van 12 januari 2006 tot strafbaarstelling van de poging en het afsluiten van een schijnhuwelijk een nieuw instrument in de strijd tegen dit fenomeen.

 

Hoewel er in 2007 duidelijk een stijging te merken is in het aantal informatieaanvragen met betrekking tot voorgenomen en afgesloten huwelijken, heeft de DVZ geopteerd om enkel het aantal individuele gevallen statistisch te verwerken die aanleiding hebben gegeven tot een administratief onderzoek bij het Bureau Opsporingen van de Dienst Vreemdelingenzaken. In de statistieken van 2007 worden alle pogingen van eenzelfde vreemdeling in de verschillende gemeenten telkens gekwantificeerd. Dit sluit immers onmiddellijk aan bij de doelstellingen van de omzendbrief van 13 september 2005.

Ingevolge een betere samenwerking tussen de verschillende diensten en de prioriteit die door de parketten wordt gegeven aan de opvolging van de voorgenomen schijnhuwelijken steeg het aantal onderzoeken in 2007 met 42 %.

 

Sinds kort merkt men een stagnatie in het aantal administratieve onderzoeken betreffende de voorgenomen potentiële schijnhuwelijken. Dit is mogelijk te wijten aan de recente wetswijziging die een verblijfsrecht voorziet op basis van een geregistreerd samenlevingscontract. Signalen van de lokale besturen wijzen op een potentieel misbruik van deze procedure. De immigratiediensten volgen deze problematiek nauwgezet op.

 

 

-          Midden 2007 werd binnen de FOD Justitie, dienst strafrechtelijk beleid, een werkgroep “Schijnhuwelijken” opgericht.

 

 

Deze werkgroep omvat een afvaardiging van de verschillende belanghebbende partijen zoals de parketten-generaal, de arrondissementsparketten, de ambtenaren van de burgerlijke stand, de FOD Buitenlandse zaken en de Dienst Vreemdelingenzaken van de FOD Binnenlandse Zaken.

 

De werkzaamheden van deze werkgroep resulteerden begin oktober 2008 in een gedetailleerd nationaal draaiboek van 94 pagina’s dat de bevoegdheden van alle betrokken partners preciseert, hun taken binnen het wettelijk kader opsomt en een optimale samenwerking beoogt. Dit document is de basis voor het College van Procureurs-generaal om een richtlijn op te stellen en uit te vaardigen naar de arrondissementsparketten betreffende de strijd tegen schijnhuwelijken.

 

Aantal administratieve onderzoeken van het bureau Opsporingen in de eerste 9 maanden van 2008: 5.030 onderzoeken naar voorgenomen potentiële schijnhuwelijken en 1.778 onderzoeken naar afgesloten potentiële schijnhuwelijken.


 

-          DNA-test

 

Om de fraude in het kader van de gezinshereniging te bestrijden en de gezinshereniging van rechthebbende kinderen te vergemakkelijken werd in 2003, in samenwerking met de FOD Buitenlandse Zaken, een beveiligde procedure ingevoerd die het mogelijk maakt om de verwantschap door middel van een DNA-test te bewijzen.

 

Deze procedure is bijzonder nuttig indien de documenten van de burgerlijke stand geen bewijskracht hebben of indien de registers van de burgerlijke stand vernietigd werden. De toepassing van deze « DNA-procedure » is niet verplicht, maar biedt de verzoeker de mogelijkheid om de gezinshereniging gemakkelijker te bekomen. Deze mogelijkheid die de aanvrager wordt geboden past in het kader van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het kind.

 

De DNA-procedure wordt elk jaar uitgebreid en is op heden mogelijk bij 20 Belgische diplomatieke of consulaire posten in landen waar er problemen zijn met betrekking tot de overlegging van documenten van de burgerlijke stand die bewijskracht hebben (Abidjan, Addis Abeba, Islamabad, Kinshasa, Lagos, Lubumbashi, New Delhi, Peking, Shanghai, Kigali, Nairobi, Dakar, Bangkok, Manilla, Kampala, Bujumbura, Yaoundé, Caracas, Teheran en Cotonou).

 

-          Ten slotte dienen ook de misbruiken in de procedure voor gezinshereniging op grond van partnerschap te worden aangepakt.

 

Zo zal, naar analogie van wat voorzien is voor het huwelijk, een bepaling ingevoerd worden in verband met “schijnpartnerschap”: een partnerschap dat enkel afgesloten wordt om een verblijfsvergunning te verkrijgen zal nietig verklaard kunnen worden en zal bovendien strafbaar zijn.

 

-          Op voorstel van Minister van Justitie, zal de strafrechter die de nietigverklaring uitspreekt in kader van een schijnhuwelijk of schijnsamenwoonst desgevallend de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit uitspreken.

 

 

-          Daarnaast zullen de misbruiken in kader van gezinshereniging ook preventief worden aangepakt.

-           

 

Op voorstel van Minister van Justitie zullen de buitenlandse diplomatieke en consulaire posten een wettelijke basis krijgen om de misbruiken in kader van gezinshereniging zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Ondermeer zullen frauduleuze documenten in het land van herkomst onderschept kunnen worden en aan een verificatieonderzoek onderworpen.

 

Zal op voorstel van Minister van Justitie een databank worden opgericht die de ambtenaar van burgerlijke stand dient te consulteren alvorens een huwelijk of een wettelijke samenwoonst af te sluiten. Daarenboven kan hij bij ernstige twijfels over de echtheid, zowel het parket als de diplomatiek posten raadplegen om de echtheid te laten verifiëren.

 

 


5.2.2.2             De langdurig ingezetenen

 

Met betrekking tot de langdurig ingezeten onderdanen van derde landen werd de wet van 25 april 2007 aangevuld door :

 

-          het koninklijk besluit van 22 juli 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

 

-          het koninklijk besluit van 22 juli 2008 tot vaststelling van bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ;

 

-          een instructie die op 1 september 2008 gericht werd aan de gemeentebesturen.

 

Deze bepalingen leiden tot twee nieuwigheden:

 

-          De onderdaan van een staat buiten de EU kan de status van langdurig ingezetene in België bekomen indien hij volgende voorwaarden vervult :

 

a.      hij is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van onbepaalde duur in België;

b.      hij kan bewijzen dat hij gedurende de vijf jaren die onmiddellijk voorafgingen aan de aanvraag voor het bekomen van de status op regelmatige en ononderbroken wijze in het Rijk verbleven heeft;

c.      hij kan bewijzen dat hij voor zichzelf en de familieleden die te zijnen laste zijn, beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen om in zijn behoeften en die van zijn familieleden te voorzien om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen en over een ziektekostenverzekering die de risico’s in België dekt.

Op de familieleden van een langdurig ingezetene worden dezelfde bepalingen toegepast als op de familieleden van een vreemdeling, onderdaan van een derde land, die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van onbepaalde duur of gemachtigd is om zich te vestigen.

 

-          De bepalingen stellen de onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezetene in een andere Lidstaat heeft bekomen, in staat om gemakkelijker een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in België te bekomen. In de praktijk zijn de langdurig ingezetenen onderworpen aan de voorwaarden die ook van toepassing zijn op elke onderdaan van een derde land die een economische activiteit wil uitoefenen in België, er wil studeren of een machtiging tot verblijf in een ander kader wil bekomen, met het verschil dat de langdurig ingezetene om die reden van een recht op machtiging tot verblijf geniet.

 

De familieleden van een onderdaan van een niet-EU-Staat die in een andere Lidstaat de status van langdurig ingezetene heeft en die tot een verblijf in België gemachtigd is worden onderworpen aan de bepalingen die ook van toepassing zijn op de familieleden van een onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot een verblijf van bepaalde duur in België. Indien de familie in de eerste Lidstaat echter al gevormd is zal de hereniger geen bewijs van voldoende huisvesting moeten overleggen. Indien de laatstgenoemde persoon niet over toereikende middelen beschikt om het familielid voor wie dit vereist is (gehandicapt meerderjarig kind) te onderhouden zal er rekening worden gehouden met de persoonlijke middelen van deze persoon.

 

5.2.2.3             Studenten

 

De bepalingen betreffende de toegang tot het grondgebied en het verblijf van buitenlandse studenten zijn vervat in Hoofdstuk III van de Titel II van de wet van 15 december 1980 dat een bijzonder verblijfsstatuut voorziet voor buitenlandse studenten.

 

Dit hoofdstuk zal naar aanleiding van de omzetting van de richtlijn 2004/114/EG betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk, gewijzigd en aangevuld worden.

 

Zoals de titel al duidelijk maakt, bepaalt deze Europese richtlijn de voorwaarden voor de toegang en het verblijf van de onderdanen van derde landen in een Lidstaat van de Europese Unie, met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde beroepsopleiding of vrijwilligerswerk.

 

De Lidstaten die door de richtlijn gebonden zijn (het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken zijn niet gebonden) moeten de bepalingen omzetten van de richtlijn die betrekking hebben op het verblijf van onderdanen van landen met het oog op studie in hun interne juridische orde omzetten. Ze mogen echter zelf beslissen of ze de bepalingen van de richtlijn inzake de andere statuten al dan niet willen omzetten.

 

De richtlijn is in wezen gericht op het harmoniseren van de voorwaarden en de procedures voor de toegang en het verblijf met het oog op studie van de onderdanen van derde landen op het grondgebied van de Lidstaten.

 

Nieuw is de mobiliteit die aan de buitenlandse student gegeven wordt binnen Europa onder bepaalde voorwaarden.

 

De richtlijn beperkt zich namelijk niet tot het bepalen van de procedures en de verblijfsvoorwaarden maar geeft de buitenlandse student die krachtens de richtlijn het statuut van student al in een Lidstaat bekomen heeft, het recht om in een andere Lidstaat te gaan studeren voor zover hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo kan de vreemdeling die houder is van een verblijfstitel « student », afgegeven door een andere Lidstaat voortaan vragen om in België een deel van de studies die hij reeds aangevangen heeft, in België te mogen volgen of  om ze door middel van een verwante studiecyclus aan te vullen.

 

Een eerste ontwerp van een voorontwerp van wet werd reeds opgesteld om deze bepalingen van de richtlijn om te zetten in Belgisch recht. Daarnaast stemt het ontwerp de bestaande bepalingen van de wet van 15 december 1980 af op deze van de richtlijn. De tekst zet enkel het luik « Studenten » van de richtlijn om.

 

 

Het voorontwerp van wet moet bovendien ook de evolutie binnen het hoger onderwijs integreren (proces van Bologna). Het werd dus voorgelegd aan de Gemeenschapsministers bevoegd voor het hoger onderwijs opdat de juiste inhoud zou gegeven worden aan de verschillende noties en definities van het studentenstatuut. Een technische werkgroep zal zich verder buigen over het ontwerp. Het ontwerp zal wellicht nog aanpassingen ondergaan vooraleer het voor advies aan de Raad van State en vervolgens aan het Parlement met het oog op de goedkeuring ervan, kan worden voorgelegd.

 

Maar er bestaat een politieke wil om enerzijds, het statuut van de buitenlandse student te moderniseren en hem een mobiliteit te geven binnen de landen van de Europese Unie en anderzijds, om misbruiken van het statuut en het gebruik van frauduleuze of valse documenten tegen te gaan.

 

Hiervoor wordt jaarlijks een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken naar de diplomatieke posten in Casablanca en Kinshasa gestuurd om ter plaatse de studentenvisa te behandelen en uit te reiken. Het aantal migratieambtenaren, die met deze taak belast zijn, zal in de toekomst verhoogd worden.

 

5.2.2.4             Verblijf door werk

 

De reglementering omtrent de tewerkstelling van buitenlandse werknemers behoort tot de bevoegdheid van de Federale Minister van Werk. De uitvoering ervan, namelijk de afgifte van arbeidskaarten werd – bij een vorige staatshervorming – toevertrouwd aan de gewesten. Op basis van een arbeidskaart, wordt een verblijfsvergunning verleend door de Dienst Vreemdelingenzaken die onder toezicht staat van de Federale Minister van Migratie. Onderstaande voorstellen in het kader van economische migratie dienen dan ook door beide federale Ministers samen uitgewerkt te worden.

 

Dienst voor Economische Migratie

 

Op 15 september 2008 werd binnen de Dienst Vreemdelingenzaken een nieuwe Dienst voor Economische Migratie opgericht. Doel is om enerzijds de visumaanvragen voor economische migranten sneller te behandelen en af te leveren én anderzijds om een permanent contact- en informatiepunt te vormen voor alle betrokken actoren. Hiermee wordt zowel de bedrijfswereld, de buitenlandse werknemer als de betrokken overheden bedoeld zoals de FOD Buitenlandse Zaken, FOD Werk, de Gewesten en de gemeenten en steden.

 

 

Deze nieuwe dienst wordt maandelijkse opgevolgd en geëvalueerd. Hieruit zullen actuele pijnpunten naar boven komen en oplossingen voorgesteld worden. Zo worden in november 2008 enkele seminaries georganiseerd. Een eerste seminarie om de steden en gemeenten te sensibiliseren om economische migranten op een klantvriendelijke manier te ontvangen en hen trachten zo snel mogelijk en ten laatste binnen de drie maanden in te schrijven in het vreemdelingenregister. Dit is de termijn waarin de buitenlandse werknemers gedekt is door een legaal verblijf op basis van het verkregen visum. Tijdens een tweede seminarie wordt de bedrijfswereld geïnformeerd omtrent de bestaande reglementering inzake arbeids- en verblijfsvergunningen en te volgen procedures.

 

 

EU-onderdanen

 

Ten laatste op 30 april 2009 zullen de overgangsmaatregelen inzake de toegang tot de Belgische arbeidsmarkt, van rechtswege ophouden te bestaan voor de onderdanen van de acht lidstaten die op 1 mei 2004 zijn toegetreden tot de Europese Unie. Zij zullen daardoor niet langer een arbeidskaart moeten aanvragen om hier te kunnen komen werken. De regering bekijkt de mogelijkheid om deze overgangsmaatregelen voortijdig op te heffen. Voor de landen die sinds 1 januari 2007 zijn toegetreden bekijkt de regering of deze overgangsmaatregelen tegelijkertijd met de andere nieuwe EU-lidstaten kunnen opgezegd worden. België zet hiermee een belangrijke stap in kader van een ééngemaakt Europa inzake vrij verkeer van personen/werknemers.

 

 

Derdelanders in buitenland

 

De Blue Cardrichtlijn zal normaliter in januari 2009 worden aangenomen onder Tsjechisch Voorzitterschap. Deze Europese Richtlijn zal een mijlpaal betekenen in een globaal Europese Migratiepolitiek waarbij in eerste instantie hooggeschoolde buitenlandse werknemers van buiten de Europese Unie met één en dezelfde arbeidskaart/verblijfvergunning in alle lidstaten tewerkgesteld kunnen worden. Dit zal de aantrekkingskracht voor buitenlandse werknemers in Europa vergroten.

 

Daarna zal in een latere fase een tweede richtlijn worden aangenomen waarbij dit principe van circulaire migratie ook van toepassing zal zijn voor seizoensarbeiders.

 

De regering zal verdere uitwerking verlenen aan economische migratie. Momenteel beperkt dit zich tot een vrij onoverzichtelijke lijst van vrijstellingen en uitzonderingen waarmee tot op heden de knelpuntberoepen niet ingevuld geraken. Daarnaast kunnen enkel werknemers van landen waarmee België een bilateraal akkoord heeft gesloten, een arbeidskaart bemachtigen. De regering bekijkt daarom de mogelijkheid om economische migranten van alle landen toe te laten en dit in functie van de behoeften van onze arbeidsmarkt.

 

 

Derdelanders op het grondgebied

 

Mensen die ten minste sinds 31 maart 2007 duurzaam op het grondgebied verblijven en een vaststaand werkaanbod hebben, kunnen uitzonderlijk een arbeidsvergunning verwerven. Dienst Vreemdelingenzaken zal deze mensen op basis van hun arbeidskaart een tijdelijke verblijfsvergunning afleveren. Er zal streng worden toegezien om misbruiken te voorkomen. Zo worden ondermeer strafsancties ingevoerd om frauduleuze aanvragers, werkgevers alsook tussenpersonen te bestrijden.

 

 

5.2.2.5             Verblijf voor humanitaire redenen

 

Om tegemoet te komen aan bepaalde humanitaire situaties, werden tijdens de afgelopen jaren, enkele criteria gehanteerd om een machtiging tot verblijf af te geven aan bepaalde vreemdelingen. Sinds 2005 hebben ingevolge deze praktijk elk jaar  ongeveer 10.000 vreemdelingen een verblijfsvergunning gekregen.

 

In uitvoering van het regeerakkoord, wordt er gekozen voor een regularisatie op individuele basis. De regularisatiecriteria m.b.t. de buitengewone omstandigheden zullen worden verduidelijkt in een omzendbrief (langdurige procedure, ziekte en een prangende humanitaire situatie, met inbegrip van de duurzame lokale verankering). Het criterium m.b.t. de langdurige procedure zoals tot nog toe toegepast hield enkel rekening met een asielprocedure van 3 jaar (met kinderen of 4 jaar (zonder kinderen); Dit breiden we uit naar 4 of 5 jaar in procedure waarbij de Raad van State en/of art.9.3 oude vreemdelingenwet volgend op een asielprocedure wordt meegerekend.

 

Bij de beoordeling van de prangende humanitaire situatie op grond van duurzame lokale verankering kan rekening worden gehouden met het advies van de lokale besturen of een daartoe erkende dienst m.b.t. de kennis van één van de landstalen, schoolloopbaan en inburgering van de kinderen, werkverleden en werkbereidheid, beschikken over de kwalificaties of competenties afgestemd op het arbeidsaanbod, o.m. inzake knelpuntberoepen, uitzicht hebben op werk en /of de mogelijkheid hebben om in het eigen levensonderhoud te voorzien. In elk van voormelde gevallen wordt nagegaan of betrokkene geen gevaar betekent voor de veiligheid en openbare orde.

 

5.2.2.6             Slachtoffers mensenhandel

 

In opvolging van de aanbevelingen van de Interdepartementale Coördinatiecel Mensenhandel-Mensensmokkel wordt gestreefd naar een betere bescherming van de slachtoffers van mensenhandel. Het betreft volgende initiatieven:

 

 

 

  1. Specifieke aandacht voor niet-begeleide minderjarigen.

 

    1. De niet-begeleide minderjarige, slachtoffer van mensenhandel, zou over een verblijfstitel moeten kunnen beschikken, ongeacht of hij al dan niet met Justitie meewerkt.  De wetgeving moet in die zin aangepast worden.

 

    1. Verschillende onderzoeksprojecten hebben aanbevelingen gedaan om het risico op kinderhandel te reduceren en de gevallen van mogelijke kinderhandel systematisch te onderzoeken. Er zal een taskforce opgericht worden met als doel de vertaling en implementatie van deze verschillende projecten te onderzoeken: met in het bijzonder een bewustmaking van alle betrokkenen en de eerstelijnsactoren op de luchthaven voor de problematiek van de alleen reizende minderjarigen.

 

    1. Daarnaast zal onderzocht worden of er een draaiboek moet opgesteld worden waarin de rol van alle actoren beschreven wordt bij het tussenkomen voor NBMV.

 

  1. Het toekennen van een verblijfstitel in het kader van uitbuiting van huispersoneel in het diplomatenmilieu in verband brengen met de procedure inzake het arbeidsrecht.

 

In bepaalde specifieke situaties is het actuele systeem van samenwerking met justitie niet aangepast. Dit geldt met name voor situaties van mensenhandel waarvan het huispersoneel van strafrechtelijk onschendbare diplomaten soms het slachtoffer is. In dit geval zou het mogelijk moeten zijn, wanneer een klacht voor feiten van mensenhandel wordt ingediend, dat het de arbeidsauditeur is die zich uitspreekt of de feiten al dan niet beantwoorden aan een situatie van mensenhandel en dat de verblijfstitel zal worden afgeleverd en vernieuwd op basis van het verloop van het burgerlijk proces.

 

5.3 Elektronische verblijfskaart voor vreemdelingen

 

5.3.1    Doelstellingen van het project

 

Met de invoering van elektronische verblijfskaarten voor vreemdelingen wenst België tegemoet te komen aan de volgende doelstellingen die bij een modern en dynamisch bestuur horen:

 

 

-          Het bestrijden van fraude en criminaliteit

-          Het aanbieden van de voordelen van een elektronische kaart aan de vreemdelingen, naar het voorbeeld van de elektronische identiteitskaart voor Belgen;

-          Inpassen van de vreemdelingenkaarten in een Europese context: namelijk de Europese verordening 1030/2002 zoals aangepast door het 380/2008 dat een uniform model van verblijfstitels uitwerkt. De elektronische vreemdelingenkaarten die door België worden afgegeven aan vreemdelingen die 12 jaar oud zijn, beantwoorden aan dit model.

 

5.3.2    Projectplanning

 

2008

 

Na het goede verloop van de pilootfase, die in 4 gemeenten plaatsvond (Ukkel, Tubeke, Antwerpen en Kelmis), heeft de Ministerraad op 1 februari 2008 besloten om de afgifte van de elektronische vreemdelingenkaart aan alle gemeenten van het Rijk te veralgemenen.

 

Vóór de omschakeling van de gemeenten naar de elektronische omgeving werden verschillende opleidingen georganiseerd voor de gemeenten. Een eerste reeks opleidingen was gewijd aan de generieke procedures voor de aanmaak en de afgifte van de elektronische kaart. Een tweede reeks opleidingen was voorzien om de specifieke aspecten van de elektronische vreemdelingenkaart uit te leggen aan de gemeenten. Tijdens praktische oefensessies konden de gemeenten zich vertrouwd maken met de nieuwe versie van de BELPIC-toepassing.

 

Op 11 juni 2008 was Melle de eerste gemeente die op het gebied van de vreemdelingenkaarten omschakelde naar de elektronische omgeving. Tegen het einde van de maand oktober zullen alle Belgische gemeenten omgeschakeld zijn en ze zullen enkel nog elektronische kaarten afgeven aan de vreemdelingen die ouder zijn dan 12 jaar.

 

Om dit te kunnen doen hebben de gemeenten het materiaal dat noodzakelijk is voor de afgifte van een elektronische kaart aan vreemdelingen ontvangen.

 

 

2009

 

Tijdens de Ministerraad van 1 februari 2008 werd besloten om de documenten die worden afgegeven aan buitenlandse kinderen die jonger zijn dan 12 jaar te moderniseren en, net zoals aan de Belgische kinderen, een elektronische kaart aan hen af te geven. Bijgevolg zal in 2009 een pilootfase gelanceerd worden voor de elektronische kaart voor buitenlandse kinderen.

 

5.3.3    Actiepunten voor de toekomst

 

De veralgemeende afgifte van de elektronische vreemdelingenkaarten in alle gemeenten en aan alle vreemdelingen is geen doel op zich.

 

 

Administratieve vereenvoudiging: dankzij een nauwe en actieve samenwerking met de andere besturen zullen synergieën kunnen worden ontwikkeld tussen de elektronische vreemdelingenkaart en de andere documenten die aan hen worden afgegeven. Op termijn zal dat zelfs kunnen leiden tot een rationalisatie van de verschillende types documenten.

 

Versterkte beveiliging: de Europese instellingen hebben besloten om de integratie van de biometrische gegevens in de elektronische kaarten op te leggen. Zodra de technische specificaties zullen zijn goedgekeurd en gedefinieerd zullen we de biometrische gegevens kunnen registreren op de elektronische vreemdelingenkaarten. Concreet gezien gaat het om een foto en vingerafdrukken.

 

Gelijke behandeling: om de Belgen en de vreemdelingen op dezelfde manier te behandelen is het logisch dat iedereen, dankzij de elektronische kaart, over dezelfde mogelijkheden beschikt.

 

 

5.2.4. Verwijdering

 

5.2.4.1             Verwijderingsbeleid

 

Het noodzakelijke sluitstuk voor de bestrijding van illegale immigratie is een effectief terugkeer- en  verwijderingsbeleid van vreemdelingen die geen verblijfsrecht krijgen. Er wordt voorrang gegeven aan vrijwillige en zelfstandige terugkeer. In geval dit mislukt, wordt overgegaan tot een verplichte en humane gedwongen terugkeer.

 

De repatriëringen, dit wil zeggen de verwijderingen onder dwang, maken deel uit van dit verwijderingsbeleid en vertegenwoordigen daarin het grootste deel, gevolgd door de vrijwillige terugkeer door middel van het REAB (Return and Emigration of asylum Seekers Belgium) - programma van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

 

In 2006 werden 11.728 personen van het Belgisch grondgebied verwijderd. In 2007 werden 8.745 personen verwijderd (waarvan 2592 vertrekkers met de IOM). Deze daling in 2007 is voornamelijk te wijten aan een sterke daling van de vrijwillige terugkeer uit open centra. Anderzijds worden door de uitbreiding van de EU de onderdanen van de nieuwe EU-lidstaten enkel verwijderd in geval van inbreuken tegen de openbare orde, zwartwerk en – in mindere mate – herhaalde asielaanvragen. Bovendien verblijven heel wat uitgeprocedeerde EU-asielzoekers in de open opvangcentra.

 

 

Essentieel om tot een effectief verwijderingsbeleid te komen, is de samenwerking tussen de opvangstructuren en DVZ. Dit impliceert dat de informatiedoorstroming tussen beide instanties veel gedetailleerder en up-to-date moet verlopen. Op die manier voorkomt men dat men te lang  en zonder wettige redenen in een opvangstructuur wordt opgevangen, wat de bezettingsgraad aanzienlijk zal verminderen. Alleen op die manier kan de korte, nieuwe asielprocedure op het terrein optimaal functioneren en komen uitgeprocedeerde asielzoekers niet in de illegaliteit terecht en soms maar na een aantal jaren in een gesloten centrum.

 

 

 

 

 

Wat de terugdrijvingen betreft, zet de ingezette daling van de laatste jaren zich voort. Dankzij een proactieve aanpak blijft het aantal terugdrijvingen aan de Belgische grens dalen. Er werden niet alleen méér protocolakkoorden inzake het opleggen van administratieve geldboetes afgesloten met de vervoerders, ook de preventieve maatregelen werden fors opgeschroefd.

 

 

Het aantal grensleidingen is sterk toegenomen ten gevolge van het prioritair opvolgen van de Dublin- en andere terugnames. Dit om te voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van ’asielshopping‘.

 

Weerspannige vreemdelingen die een risico vormen op gebied van veiligheid kunnen met een beveiligde vlucht worden gerepatrieerd. Het feit dat de mogelijkheid bestaat dergelijke vluchten te organiseren heeft een positief effect op de andere illegale vreemdelingen die meer bereid zijn het grondgebied vrijwillig en zonder weerstand te verlaten.

 

In het kader van de verwijdering wordt grote aandacht besteed aan het stimuleren van een vrijwillige terugkeer. De DVZ onderhoudt permanent overleg en contact met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te Brussel. Samen wordt gezocht naar middelen om de vrijwillige terugkeer nog meer te stimuleren.

 

De inspanningen met betrekking tot de verwijdering zullen worden voortgezet door, enerzijds, een optimalisatie van de proactieve samenwerking met fedasil, de politiediensten en de gemeentebesturen en, anderzijds, door een doeltreffende samenwerking met andere betrokken departementen, zoals de FOD Justitie of de FOD Buitenlandse Zaken.

 

Op Europees niveau

 

Een andere prioriteit van het Europees immigratiebeleid is de noodzaak van een dynamischer terugnamebeleid, dat beter aangepast is aan de uitdagingen waarmee de Ministers bevoegd voor migratie en asiel dagelijks worden geconfronteerd.

 

Vooral op het gebied van de terugkeer kan de Europese actie een duidelijke meerwaarde hebben wanneer het gaat om de afsluiting van terugnameovereenkomsten, om onderhandelingen met het oog op het bekomen van doorlaatbewijzen en het vergemakkelijken van de transit tussen de Europese landen. Dit is de reden waarom België deze acties ondersteunt in het kader van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van de Europese Unie.

 

Europa heeft tot nu toe 11 communautaire readmissieovereenkomsten ondertekend. Tussen 2006 en 2008 heeft  de Europese Unie zo een overnameovereenkomst, samen met een overeenkomst met betrekking tot een versoepeling van het visumafgifte, met Rusland, Oekraïne, Moldavië en de 4 westelijke Balkanlanden (Bosnië-Herzegovina, Servië, Montenegro en Macedonië) geconcludeerd. In september 2008 heeft de Commissie een overeenkomst met Pakistan geparafeerd. Formele onderhandelingen met Marokko en Turkije zijn al begonnen, maar nog niet afgerond. Met China en Algerije zijn de onderhandelingen nog niet begonnen (ondanks het aannemen van de mandaten in 2002). In 2009 zullen onderhandelingen met Georgië en Cap Verde beginnen.

 

Op international niveau

 

Op het gebied van de internationale samenwerking inzake verwijdering, heeft België, in naam van de Benelux de onderhandelingen geleid die hebben geleid tot het afsluiten van een overnameovereenkomst met Armenië, met Bosnië-Herzegovina (19 juli 2006) en met Macedonië (30 mei 2006). De overeenkomst met Armenië zal in november 2008 worden ondertekend. Verder werden in 2008 de onderhandelingen met Frankrijk en Georgië voortgezet.

 

Deze inspanningen zullen worden voortgezet, zodat ze ten laatste in 2009 zullen worden ondertekend. In 2008 heeft de Dienst Vreemdelingenzaken ook zijn inspanningen voortgezet om, in naam van de Benelux, de onderhandelingen met Rusland in verband met het toepassingsprotocol voor de uitvoering van de Europese overnameovereenkomst met dat land af te sluiten. Dit protocol zou eind 2008, of ten laatste begin 2009, moeten worden ondertekend. In 2009 zullen ook onderhandelingen in deze zin met Oekraïne en de Balkanlanden opgestart worden.

 

Op bilateraal niveau

 

In 2008 werden MoU’s met Vietnam, Guinea, Ecudador getekend. In 2009 zal er op dezelfde weg doorgegaan worden, teneinde administratieve terugnameakkoorden af te sluiten met o.a. Iran, Irak, Nigeria.

 

 

Er wordt eveneens een versterkte samenwerking met Groot-Brittannië vooropgesteld op het vlak van de strijd tegen illegale immigratie en transit richting Groot-Brittannië. In dat kader is er trouwens een bilateraal bezoek voorzien in de loop van de maand november om de uitvoering van het MOU van 2004 met betrekking tot de samenwerking tussen de immigratie- en politiediensten van beide landen te verbeteren.

 

Het RETURN-project inzake de uitbouw of verbetering van een effectieve, stabiele en duurzame samenwerking met de DR Congo op het gebied van terugkeer zal in 2009 verder gezet worden, na een positieve evaluatie van de deelnemers. Het project beoogt de intensivering van de samenwerking tussen vijf Europese lidstaten en het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Algemene Directie voor Migratie inzake identificatie en terugkeer van Congolese in onregelmatig verblijf. Het project voorziet in missies naar Europa en technische bijstand aan de Congolese instellingen.

 

 

 

5.2.4.2             Gesloten centra

 

Eind januari starten de werken voor de  bouw van een nieuw transitcentrum, ter vervanging van het bestaande centrum op de luchthaven dat reeds in 1988 zijn deuren opende.

 

Het nieuwe centrum zal nog nauwelijks te vergelijken zijn met het huidige centrum, dat voornamelijk uit containergebouwen bestaat. De aangepaste infrastructuur biedt immers bijkomende mogelijkheden om het verblijf van de bewoners zo goed mogelijk te omkaderen. Het uiteindelijke doel is om in het gebouw zoveel mogelijk een klimaat te scheppen van rust en bewoonbaarheid.

 

Het nieuwe centrum wordt gebouwd in de nabijheid van het Repatriëringscentrum 127bis te Steenokkerzeel. Als alles vlot verloopt in het bouwproces zal het nieuwe centrum eind juli 2010 operationeel zijn.

 

Wat betreft infrastructuurwerkzaamheden in de andere gesloten centra wordt momenteel verder gewerkt aan een aantal belangrijke projecten die allen een verdere humanisering tot doel hebben.

 

De bouw van een nieuwe verbindingsvleugel tussen de bestaande administratieve vleugel en de bewonersvleugel in het Repatriëringscentrum 127bis te Steenokkerzeel begint concrete vormen aan te nemen. Hoofddoel van deze bijkomende vleugel is de opvang van personen die moeite hebben met het samenleven in een groepsregime. In het voorjaar van 2008 was de ruwbouw van de site achter de rug, zodat volop aan de afwerking begonnen werd. De oplevering van het gebouw wordt voorzien tegen 1 februari 2009.

 

Ook in het Centrum voor Illegalen te Brugge zijn belangrijke infrastructurele vernieuwingen gepland met name de bouw van een nieuw inkomgebouw. Het nieuwe gebouw zal in maart 2009 operationeel zijn. Nadat wordt de binnenplaats grondig gerenoveerd en uitgebreid. Deze werken zullen normaliter beëindigd zijn eind 2009.

 

In het Centrum voor Illegalen te Merksplas staan 2 projecten op stapel. Vooreerst wordt het bestaande Blok III volledig heringericht met slaapunits, i.p.v. de bestaande slaapzalen. De werken staren in februari 2009 en de oplevering is voorzien in november van hetzelfde jaar. Daarnaast zullen bijkomende aanpassingen voor individuele regimes worden doorgevoerd in Blok IV.

 

 

Tenslotte zullen in één vleugel van het Centrum voor Illegalen te Vottem enkele fundamentele aanpassingen worden uitgevoerd, om ook daar een individueel regime mogelijk te maken voor die bewoners die problemen hebben om te functioneren in het groepsregime. De timing hiervoor is voorzien in januari 2009.

 

 

5.2.4.3                         Alternatief voor de vasthouding van gezinnen met kinderen

 

Vanaf 1 oktober 2008 worden de illegale families met minderjarige kinderen, die wachten op hun uitwijzing, niet langer in gesloten centra ondergebracht. Er is een alternatief uitgewerkt waarbij de gezinnen worden ondergebracht in woningen beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken. Dit pilootproject is gebaseerd enerzijds gebaseerd op de aanbevelingen van het studiebureau Sum-Research en anderzijds op ervaringen van andere landen zoals Australië en Zweden.

 

De Regie der Gebouwen heeft aan de Dienst Vreemdelingenzaken een aantal woningen ter beschikking gesteld nl. 3 woningen in Zulte en 5 appartementen in Tubeke. Deze woningen worden uitgerust om een familie met kinderen op een gepaste manier op te vangen. De woningen in Zulte zijn reeds gerenoveerd, gemeubileerd en voorzien van de noodzakelijke infrastructuur. In de vijf andere woningen zijn de renovatiewerken aan de gang en deze zullen binnenkort in gebruik worden genomen.

 

De families worden opgevangen in een privé woning. De families worden continu opgevolgd en begeleid met het oog op de voorbereiding van de terugkeer door de coaches. Er zijn 2 Nederlandstalige en 2 Franstalige coaches aangesteld, die samen de dossiers van de in de woningen verblijvende families opvolgen. Elke coach heeft dezelfde functie en vervult dezelfde taken. Het feit dat het profiel van de coaches verschillend is, is een voordeel dat op termijn kan leiden tot een differentiatie van bepaalde taken, indien dit nodig zou blijken.

 

De coaches zullen de verschillende terugkeermogelijkheden uitleggen waarbij ze de gezinnen in de eerste plaats proberen te overtuigen om te kiezen voor een begeleide vrijwillige terugkeer. Hiervoor werken de coaches nauw samen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Zij zullen erover waken dat elk vertrek (vrijwillig of gedwongen) zo humaan mogelijk verloopt.

 

 

Een voorname taak van de coaches is het stimuleren en het overtuigen van de gezinnen om mee te werken in het kader van hun identificatie (met het oog op het bekomen van de noodzakelijk reisdocumenten) en hun terugkeer.

 

De gezinnen die geen advocaat hebben, kunnen rekenen op de nodige juridische bijstand.

 

 

De gezinnen worden in hun dagelijkse behoeften geholpen door de coaches. Maar de belangrijkste taak van de coach is het uitbouwen van een vertrouwelijke relatie met de gezinnen.

De coaches zijn dan ook bevoegd zijn om afspraken te maken met de lokale winkeliers, scholen, dokters, … opdat een adequate en volledige omkadering aan de families kan bezorgd worden.

 

In principe zal ieder gezin met kinderen dat een uitvoerbare beslissing heeft bekomen en waarvoor geen opschortend beroep meer mogelijk , dus ook families waarvoor een akkoord van een lidstaat van de EU inzake de Dublin-reglementering voorligt, in aanmerking komen voor een verblijf in deze woningen. Deze maatregel is niet van toepassing op de grensgevallen, aangezien deze onder de Conventie van Chicago en de Shengen Border Code.

 

 

Het project zal, indien nodig, voortdurend bijgestuurd worden.

 

5.2.5 Europees en internationale samenwerking

 

De Europese Top heeft op 15 oktober 2008 het Europees pact voor immigratie en asiel aangenomen. Dit pact is een uitdrukking van de wil van EU en zijn lidstaten om een rechtvaardige, coherente en efficiënte politiek te voeren tegenover de uitdagingen en kansen die migratie biedt. Het pact vormt voor de EU een belangrijk platform voor een gemeenschappelijke migratie en asielpolitiek, met aandacht voor en in het belang van derde landen en de migrant zelf.

 

Het pact is opgebouwd rond vijf sterke engagementen:

-          het organiseren van legale immigratie rekening houdend met de prioriteiten de noden en de opvangcapaciteit van iedere Lidstaat, en het organiseren van integratie

-          strijden tegen irreguliere immigratie, meer bepaald door het verzekeren van de terugkeer van illegale migranten naar hun land van oorsprong of een transitland.

-          De efficiëntie van de grenscontroles versterken

-          Een Europa van asiel opbouwen

-          Een globaal partnerschap met de landen van oorsprong en transit uitbouwen waarbij synergieën tussen migratie en ontwikkeling bevoordeeld worden.

 

De belangrijkste principes van het Pact worden omgezet in een reeks maatregelen die zo snel mogelijk moeten worden uitgevoerd op Europees en nationaal niveau. Deze principes dienen overigens ook als inspiratie en vertrekpunt voor het werkprogramma van de EU dat door de Commissie zal voorgesteld worden in 2009.

 

5.2.5.1             Europees Fondsen

 

De Europese wil om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te scheppen blijft actueel. Vier jaar na de goedkeuring van het programma van Den Haag blijft Europa acties ondernemen om de verschillende wetgevingen te harmoniseren en de operationele samenwerking tussen de Europese politie- en immigratiediensten te versterken.

 

Europa probeert eveneens de solidariteit tussen de verschillende lidstaten van de Europese Unie te versterken. Om deze solidariteit te bewerkstelligen voorziet het Kaderprogramma «voor solidariteit en beheer van de migratiestromen» in de oprichting van vier financiële fondsen: een Integratiefonds voor de onderdanen van derde landen, een Vluchtelingenfonds, een Terugkeerfonds en een Fonds voor de buitengrenzen.

 

Op Belgisch niveau werd de Dienst Vreemdelingenzaken aangewezen als Verantwoordelijke (implementerende) Autoriteit voor het Buitengrensfonds (2007-2013) en het Terugkeerfonds (2008-2013). Voor beide Fondsen zullen aan België belangrijke bedragen worden toegekend: 3,4 miljoen euro voor het Buitengrensfonds (2007-2008) en 3,1 miljoen voor het Terugkeerfonds (2008). In de begroting 2009 zijn de noodzakelijke federale middelen voorzien. Omdat de Europese tussenkomsten worden geprefinancierd met federale middelen, heeft de ministerraad van 23 oktober 2008 beslist, dat het fonds in negatief kan gaan in afwachting van de storting van de Europese middelen, evenwel beperkt tot het bedrag van de toegekende Europese subsidiëring.

 

In een eerste fase werd door de DVZ een beheers- en controlesysteem uitgewerkt en werden voor beide fondsen meerjarenprogramma’s opgesteld die als basis dienen voor de concrete jaarprogramma’s en projecten. De DVZ zal elk jaar projecten selecteren en cofinanciering toewijzen. Op het vlak van het Buitengrensfonds zijn Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en de Federale Politie de belangrijkste partners; voor het Terugkeerfonds zal worden samengewerkt met Fedasil en internationale en niet-gouvernementele organisaties, die projecten zullen kunnen voorleggen in het kader van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen. Via dit kaderprogramma zullen zo belangrijke sommen geïnvesteerd kunnen worden, met name in de grensbeveiliging, de consulaire samenwerking inzake visa,  waaronder ICT-projecten, duurzame vrijwillige terugkeer van migranten en illegaal verblijvende vreemdelingen, humanisering van de gesloten centra, en in projecten van duurzame terugkeer in samenhang met reïntegratieprogramma’s die zijn aangepast aan doelgroepen zoals kwetsbare personen.

 

 

De doelstellingen van het Fonds voor de buitengrenzen op Belgisch vlak zijn:

·         Verbetering in de coördinatie van de informatiestroom tussen actoren/beheerders op nationaal vlak en van en tussen België en andere lidstaten

·         Een betere controle van grensdoorlaatposten (in het bijzonder verkeers- en passagiersstromen aan secundaire grenscontrolepunten) en betere controle van het grensoverschrijdend verkeer

·         Verbeterde uitrusting, geschikt om te worden aangewend bij door Frontex gecoördineerde gemeenschappelijke acties, vooral inzake controle van zeegrenzen

·         Opvoering van de strijd tegen misbruik in verband met visumaanvragen ("visa-shopping") en pseudo-legale migratie

·         Versnelde afgifte van visa aan bona fide reizigers

·         Doorvoeren van schaalvergrotingsbesparingen in de behandeling en afgifte van visa (consulaire samenwerking)

·         Installatie van het VIS

·         Opleiding, onderwijs en uitwisseling van beste praktijken (op het vlak van visumbeleid en grensbeheer)

 

 

 

 

De doelstellingen van het Terugkeerfonds zijn:

·         Bijkomende ontwikkeling van programma’s van vrijwillige terugkeer en versterking van hun omkadering (informatie, bewustmaking, opleiding, uitvoering en opvolging)

·         Ontwikkelen van een op doelgroepen gerichte benadering van de terugkeer, die de verschillende inspanningen van informatie, begeleiding, financiële of materiële bijstand en samenwerking met de landen van oorsprong coördineert en ze aanpast aan de specifieke behoeften van elke groep

·         Uitwerken van alternatieve en aangepaste opvangstructuren binnen dewelke de personen kunnen worden begeleid naar hun terugkeer

·         Verbeteren van reïntegratieprogramma’s, door ze aan te passen aan de structuur van de behoeften en ze toe te spitsen op een duurzame terugkeer

·         Steun aan programma’s van gedwongen terugkeer en versterking van hun omkadering (informatie, opleiding, samenwerking, uitvoering en evaluatie), meer bepaald voor doelgroepen of landen die bijzondere moeilijkheden opleveren

·         Versnelde identificatie, met name door een meer versterkte samenwerking met het land van oorsprong

·         Bevorderen van het accepteren van de terugkeer – ook binnen het opvangnetwerk – door het uitwerken van een beleid van communicatie, informatie en gerichte en creatieve opleiding

·         Versterken van de samenwerking/communicatie tussen de overheden op nationaal vlak ter ontwikkeling van een meer geïntegreerd terugkeerbeleid dat de vrijwillige terugkeer, de gedwongen terugkeer en de duurzame integratie omvat, in overeenkomst met de communautaire normen

·         Ontwikkelen van analyse- en evaluatie-instrumenten waarmee een duidelijker beeld kan worden verkregen van de populatie van illegale immigranten en waarmee snelle, humane en waardige vormen van terugkeer kunnen worden ontworpen, uitgewerkt en in de praktijk gebracht

·         Investeren in de structuren binnen dewelke de lidstaten van de EU informatie kunnen uitwisselen, de beste praktijken kunnen uitwerken en operationele samenwerkingsmodellen kunnen opstellen

 

Voor 2009 staan o.a. volgende projecten gepland die door de Dienst Vreemdelingenzaken zullen worden uitgevoerd: het opzetten van de centrale message brooker van het VIS-systeem, het elektronisch administratief verslag tussen de politiediensten en de Dienst Vreemdelingenzaken, de beheersapplicatie voor de gesloten centra, de aanpassing van de opvang, begeleiding en reïntegratie van kwetsbare groepen, ondersteuning voor de terugkeer van moeilijk verwijderbare nationaliteiten en gedetineerde vreemdelingen.

 

5.2.5.2             Het Europees Migratienetwerk

 

Door een actieve rol te spelen in het Europees Migratienetwerk is België concreet betrokken bij de uitwisseling van informatie met betrekking tot de migraties en het asiel. Dit project, dat in 2003 geïnitieerd werd door de Europese Commissie, is gericht op het verbeteren van de uitwisseling van informatie tussen de verschillende actoren en de kennis van verschillende aspecten van de internationale migratie.

 

Hoewel er in 2007 geen financiering vanuit Europa mogelijk was omdat er geen wettelijke basis was, zijn de belangrijkste activiteiten gewoon voortgezet.  Zo werden er, zoals de voorgaande jaren, opnieuw een Policy Analysis Report, een Statistisch Rapport en een studie over gezinshereniging opgesteld. Ook werd het nuttige “Rapid Question Mechanism” weer gebruikt waarbij NCP’s (nationale contactpunten) vragen over het beleid, wetgeving, best practices of statistieken naar andere lidstaten kunnen sturen en waarbij, indien nodig, binnen enkele dagen een antwoord op wordt geformuleerd.

 

 

 

Intussen werden de onderhandelingen over een definitieve wettelijke basis opgestart binnen de Raad van de Europese Unie.  Na enkele vergaderingen onder Portugees Voorzitterschap heeft de JBZ-Raad in december 2007 het “voorstel tot beschikking voor de oprichting van een Europees Migratienetwerk” aangenomen. De lidstaten hebben inmiddels hun definitief contactpunt aangewezen. Voor België is dit de DVZ. Hij wordt in deze taak geholpen door een ambtenaar van het Commissariaat-generaal van de Vluchtelingen en Staatlozen en een vertegenwoordiger van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding.

 

 

Volgens artikel 1 van het voorstel voor een beschikking heeft het EMN tot doel te voldoen aan de behoeften aan informatie over migratie en asiel van de communautaire instellingen, de autoriteiten en instellingen van de lidstaten, door ter ondersteuning van de beleids- en besluitvorming op deze gebieden in de Europese Unie actuele, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie over migratie en asiel te verstrekken. De informatie zal ook aan het publiek meegedeeld worden via een website. Een Beheerscomité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de Commissie en bijgestaan door twee wetenschappelijke experts, zal o.a. het jaarlijkse werkprogramma vastleggen en de vooruitgang van het EMN evalueren.

 

 

 

Aangezien het steeds belangrijker wordt om te kunnen beschikken over gedetailleerde en accurate statistieken werd tevens beslist een deel van die opdracht toe te vertrouwen aan het Belgisch Contactpunt van het EMN. Aangezien de vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid van gegevens op Europees vlak problematisch blijft, zal ook het toekomstig EMN veel aandacht besteden aan statistieken en de analyse ervan. Het is immers duidelijk dat de Europese Verordening betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming, die vanaf 1 januari 2008 van kracht is, een stap in de goede richting is, maar zeker niet zal volstaan om alle knelpunten op dat vlak op te lossen.

 

 

In het kader van die Verordening over asiel- en migratiestatistieken zal de DVZ 4 soorten gegevens dienen te leveren: internationale bescherming (asiel en subsidiaire bescherming); preventie van illegale binnenkomst en illegaal verblijf; verblijfsvergunningen en ten slotte gegevens over terugkeer. Met het oog op een goede implementatie van de Verordening werd in de schoot van de Directie Statistiek van de FOD Economie die de gegevens over de legale bevolking op zich zal nemen, een werkgroep opgericht.

 

5.2.5.3             Preventie en sensibilisering

 

Belangrijk in de benadering van migratie is een alomvattende aanpak met oog voor de verschillende modi operandi. Een belangrijk luik in deze aanpak is preventie.

 

Dienst Vreemdelingenzaken treedt preventief op ten opzichte van de onregelmatige instroom uit bepaalde derde landen. Zo zullen in 2009 projecten van preventie en informatie georganiseerd worden in Senegal, Kameroen en India. De projecten worden uitgevoerd door IOM en gefinancierd door de Dienst Vreemdelingenzaken. Hiervoor is een totaal budget voorzien van 100. 000 euro in 2008 en 300.000 euro in 2009. Op dit ogenblik worden de concrete projecten gefinaliseerd.

 

 

 

5.2.5.4             Migratie en ontwikkeling

 

België wil synergieën bevorderen tussen het immigratiebeleid, het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid, om tot een grotere globale coherentie van de verschillende externe beleidsdomeinen en acties te komen, en dit zonder afbreuk te doen aan de prioritaire acties in het ontwikkelingsbeleid.

 

Deze benadering was ook deze van de grote internationale en regionale conferenties die plaatsvonden tijdens 2006 en die landen van bestemming, oorsprong en transit hebben samengebracht. De Belgische ministers van Binnenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse zaken hebben in maart 2006 namelijk een conferentie georganiseerd rond het thema «Migratie en Ontwikkeling». België heeft ook in 2007 een eerste wereldforum georganiseerd met als thema «Migratie en Ontwikkeling» en zal actief deelnemen aan het tweede forum dat in 2008 in Manilla (Filippijnen) zal plaatsvinden.

 

In die zin is er ook de budgetlijn die gemeenschappelijk beheerd wordt tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en het Directoraat-Generaal Ontwikkelingssamenwerking. Voor 2008 werden de volgende projecten goedgekeurd:

-          een project van vrijwillige terugkeer en reïntegratie vanuit Marokko naar landen uit Subsahara-Afrika;

-          een project van preventie en stabilisatie van vrouwen uit bepaalde wijken van Kinshasa;

-          een bijdrage tot het Globale Forum voor Migratie en Ontwikkeling in Manilla;

-          een bijdrage aan het Boedapest-proces tussen de EU-lidstaten en de staten uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten.

 

5.2.5.5             Andere Europese projecten

 

De Dienst Vreemdelingenzaken heeft zijn kandidatuur gesteld om partner te worden in een Europees Twinning Project in Bulgarije en werd gekozen als beste partner. Concurrenten waren Nederland, Frankrijk en Griekenland. De EU Commissie zal een bedrag van 600.000 euro ter beschikking stellen om de Bulgaarse Immigratiedienst gedurende één jaar op de volgende gebieden te helpen: de implementatie van de nieuwe EU-richtlijnen inzake toelating en de procedures en gebruiken inzake interceptie en verwijdering. Een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken zal in 2009 een jaar als Resident Twinning Advisor werken in Sofia. Van hieruit zullen ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken voor korte missies naar Bulgarije vertrekken om seminaries te organiseren, te helpen bij intercepties en speciale vluchten, om interne instructies te ontwikkelen en die via training te laten kennen in alle regionale eenheden van de Bulgaarse migratiedienst. Ook zullen Bulgaarse collega’s ons komen bezoeken en kijken hoe wij het doen. Dit project is onze bijdrage tot de versterking van immigratiediensten in de nieuwe EU-lidstaten, vooral de landen die aan de Schengenbuitengrens liggen.

 

 

 

5. ASILE ET IMMIGRATION

 

5.1 Politique d’asile

 

5.1.1. Objectifs stratégiques

 

En ce qui concerne la politique d’asile, les objectifs suivants sont fixés :

  • au niveau national, la mise en place d’une procédure d’asile efficace qui permet d’accorder une protection aux personnes qui en ont besoin ;
  • au niveau international, l’élaboration d’une politique d’asile européenne harmonisée.

 

5.1.2. Rapport sur la réalisation en 2008

 

5.1.2.1.            La réforme de la procédure d’asile

 

La loi du 15 septembre 2006 modifiant la loi du 15 décembre 1980 a profondément modifié la procédure d’asile. La nouvelle procédure d’asile s’applique intégralement depuis le 1er juin 2007.

 

La loi a introduit le statut de protection subsidiaire et établi des critères précis pour déterminer la qualité de réfugié (conformément à la Convention de Genève). De cette manière, il existe désormais une réglementation exhaustive en ce qui concerne la protection des réfugiés.

 

Avec l’introduction de la nouvelle procédure d’asile, les bases d’une procédure d’asile efficace, équilibrée et de qualité ont été posées. Le demandeur d’asile a la possibilité réelle de présenter tous les éléments à l’appui de sa demande et, en cas de décision négative, il dispose d’un recours effectif garantissant pleinement les droits de la défense. La nouvelle procédure permet également de traiter toutes les demandes d’asile dans de brefs délais.

 

En 2008, la priorité a été en outre accordée aux points suivants :

  • l’organisation d’un nouveau Conseil du Contentieux des Etrangers ;
  • la réorganisation du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides, compte tenu des nouvelles règles de procédure, des nouvelles missions dans le cadre de la procédure,… en exécution de la nouvelle législation en matière d’asile.

 

En 2008, le nombre de demandes d’asile est resté plus ou moins identique par rapport à l’année 2007. Durant les neuf premiers mois de 2008, 8.876 demandes d’asile ont été introduites. Le point marquant est le nombre relativement élevé de demandes d’asile multiples.

 

Au Conseil du Contentieux des Etrangers, pour les nouveaux recours, les décisions sont prises dans les délais fixés par la loi. Mais il y reste toujours un arriéré de 6.977 dossiers, soit les dossiers de l’ancienne Commission permanente de recours des réfugiés.

 

 

 

 

Dans le cadre de la nouvelle procédure, le Conseil d’Etat rend systématiquement un arrêt ou une décision dans un court délai pour les nouveaux recours. Pour les dossiers d’asile, l’arriéré a entre-temps encore été réduit en 2008.


 

 

5.1.3.1             L’organisation d’une procédure d’asile efficace

 

Les instances d’asile, c’est-à-dire le Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides et le Conseil du Contentieux des Etrangers, examineront les moyens pour résorber l’arriéré des dossiers et l’éventualité de prendre des mesures supplémentaires pour garantir un traitement efficace et des normes de qualité élevée. Dans ce contexte, l’objectif principal reste d’accorder une protection aux personnes qui en ont besoin.

 

 

 

5.1.3.2.            Quelques initiatives en matière de législation

 

Afin de rendre la législation en matière d’asile entièrement conforme à la Directive européenne 2005/85/CE relative aux critères minimaux pour la procédure d’asile, un certain nombre de points de la législation seront améliorés :

 

  • un certain nombre d’améliorations techniques peuvent y être apportées ;
  • la réglementation actuelle sur le traitement accéléré de certaines catégories de dossiers d’asile (art. 52 de la loi sur les étrangers) sera adaptée.

 

Conformément à l’accord gouvernemental, une procédure sera mise au point pour la détermination du statut des apatrides. Un projet de loi sera soumis au Parlement en 2009.

 

5.1.3.3.            La politique d’asile harmonisée au niveau européen

 

Au niveau européen, un certain nombre de progrès importants ont été enregistrés ces dernières années en matière d’harmonisation des politiques d’asile. La concrétisation de cet objectif nécessite encore la prise de nombreuses mesures.

 

 

Il importe d’entreprendre sans tarder de nouvelles démarches afin d’harmoniser les politiques d’asile :

  • en renforçant et en rendant plus efficace la collaboration pratique entre instances d’asile ;
  • en créant des mécanismes imposant aux Etats membres d’appliquer de manière uniforme leur législation relative à l’asile ;
  • en créant des mécanismes garantissant une solidarité entre Etats membres.

 

Dans sa communication de juillet 2008, la Commission européenne a présenté un programme ambitieux sur la réalisation d’une politique d’asile harmonisée. La Belgique soutiendra ce programme et coopèrera activement à sa réalisation. L’objectif est de parvenir à une politique d’asile européenne qui repose sur une vision d’ensemble de l’asile et qui place les personnes qui ont besoin d’une protection au centre des préoccupations.

 

 

 

La Commission formulera plusieurs propositions pour renforcer la coopération entre les services des différents Etats membres. Le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides y a participé activement dans le cadre de différents projets (comme l’ambitieux projet de formation de « European Asylum Curriculum ») et de conférences (comme Eurasil ou la Conférence des directeurs généraux des services d’immigration, CDGSI). La coopération pratique entre les instances d’asile sera par ailleurs renforcée par la création d’un bureau d’appui européen. Au cours du premier trimestre de 2009, la Commission européenne déposera une proposition concrète en ce sens.

 

 

Concernant cette proposition, la Belgique a déjà suggéré plusieurs tâches pour ce bureau qui devraient aider la Commission européenne à élaborer son projet. Il s’agit plus précisément des tâches suivantes :

-          faciliter l’appréciation des profils spécifiques des demandeurs d’asile ;

-          évaluer la manière d’appliquer les critères d’octroi de protection ;

-          évaluer de manière commune des situations dans les pays d’origine;

-          soutenir en cas de crise, certaines régions soumises à de fortes pressions;

-          coordonner les projets menés dans le cadre de fonds européen pour les réfugiés;

-          organiser la formation commune pour les fonctionnaires.

 

Fin 2008, la directive 2003/109/CE relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée sera modifiée pour étendre le champ d’application aux bénéficiaires d’une protection internationale. Cette directive devra ensuite être transposée en droit belge.

 

 

En 2009, il s’agira aussi d’examiner comment organiser la solidarité avec les Etats membres dont le système d’asile est soumis à une pression importante et de renforcer les programmes de protection régionaux. La possibilité d’élaborer une politique européenne de réinstallation a également été examinée. Les travaux sur ce projet se poursuivront en 2009. La Belgique reste favorable par principe à une politique européenne de réinstallation et se penche sur l’éventualité de participer à l’avenir à des projets concrets.

 

 

La révision de certaines directives importantes en matière d’asile figure également au calendrier européen pour 2009 (entre autres la directive « qualification », la directive « procédures d’asile », la directive sur les conditions d’accueil des demandeurs d’asile et le Règlement Eurodac). Il s’agit d’une étape importante dans l’élaboration d’une politique d’asile harmonisée et la suppression des disparités entre les Etats membres.

 

5.2   Politique de Migration

 

5.2.2.      Séjour d’une durée maximale de trois mois

 

En ce qui concerne la politique en matière de visas, la Belgique s’est toujours exprimée en faveur d’une politique intégrée car seule une telle politique peut prévenir de manière efficace les flux d’immigration illégale. En 2005, plusieurs projets contribuant à l’introduction d’une politique commune des visas et à l’intégration de l’acquis de Schengen ont été adoptés et ont continué à être développés.

 

5.2.1.1             VIS

 

L’initiative européenne relative au système d’information sur les visas (VIS) (la Disposition 2004/512 du Conseil de l’UE du 8 juin 2004) est soutenue par la Belgique. Le Règlement du Parlement européen et du Conseil concernant le système d'information sur les visas (VIS) et l'échange de données entre les Etats membres sur les visas de court séjour qui a pour but de définir le système et son fonctionnement a été approuvés par l’ensemble des Etats membres en 2008. Le Règlement constitue la base légale pour permettre le développement du système d’information sur les visas. Le VIS sera progressivement mis en place dans le courant de 2009.

 

En rapport avec le règlement VIS, le groupe a entamé la lecture de la Proposition de règlement du Conseil et du Parlement européen modifiant les Instructions consulaires communes adressées aux représentations diplomatiques et consulaires de carrière, en liaison avec l’introduction d’éléments d’identification biométriques et de dispositions relatives à l’organisation de la réception et du traitement des demandes de visa. Cet instrument vise à créer la base juridique qui permettra la collecte obligatoire des données biométriques des demandeurs de visa prévues par le VIS ainsi que l’organisation des consulats des Etats membres pour sa mise en œuvre. Les négociations ont débouché sur un compromis au Conseil, mais le Parlement européen a rejeté la Proposition en première lecture. De nouvelles négociations ont dès lors été entamées entre le Président du Conseil, la Commission et le Parlement européen pour que la Proposition puisse être adoptée en deuxième lecture. Son approbation est donc attendue le plus rapidement possible.

 

 

 

5.2.1.2             Politique européenne en matière de visa

 

Les efforts d’harmonisation de la politique de visa européenne pour lutter contre le « visa shopping» et l’immigration illégale se poursuivent. On peut s’attendre à un accord dans le courant de 2009 concernant une proposition de règlement établissant un code communautaire des visas.

 

La lutte contre la fraude lors de l’introduction d’une demande de visa reste une priorité. L’enregistrement de données biométriques (empreintes digitales et photo) de la plupart des étrangers est actuellement devenu possible grâce à une modification de la loi du 15 décembre 1980. Ces mesures biométriques doivent en premier lieu permettre de constater ou de vérifier l’identité d’un étranger. L’exécution de cette disposition fait l’objet d’un plan d’action actuellement en cours d’élaboration.

 

 

5.2.1.3             Banque de données « Garants »

On travaille à la création d’une banque de données répertoriant tous les garants qui ont signé un engagement de prise en charge conformément aux articles 3 bis (court séjour) ou 60 (séjour étudiant) de la loi du 15 décembre 1980 ou en tant que concubin.

 

 

L’objectif de la création de cette banque de données est double : il s’agit, d’une part, de lutter contre les prises en charge abusives (par ex. utilisation de faux documents, souscription multiple d’engagements par une même personne) et, d’autre part, de faciliter le remboursement par le garant des frais occasionnés par l’étranger supportés par l’Etat belge.

 

 

Ce projet est co-financé par le Fonds européen pour les Frontières extérieures. A partir de 2010, il sera injecté via ce Fonds 50.000 euros la première année et 100.000 euros les années suivantes jusqu’en 2013 compris (voir point 5.2.5.1).

 

 

5.2.2.   Séjour de plus de trois mois

 

5.2.2.1             Regroupement familial

 

La loi du 25 avril 2007 modifiant la loi du 15/12/1980 est entrée en vigueur le 1er juin 2008. Cette loi assure la transposition de la directive 2004/38/CE relative au droit des citoyens de l’Union et des membres de leur famille de circuler et de séjourner librement et de la directive 2003/109/CE relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée (voir point 5.2.2.2).

 

 

Ressortissants UE

 

Pour les citoyens de l’Union et les membres de leur famille, les arrêtés d’exécution nécessaires ont été pris le 7 mai 2008. Les communes, qui se sont vues attribuer une tâche importante dans la nouvelle procédure de séjour, ont été informées par le biais de formations et par des instructions du 23 mai 2008.

 

Les principales modifications de la procédure de séjour sont les suivantes :

 

-          Les citoyens de l’Union et les membres de leur famille recevront seulement un droit de séjour conditionnel durant une première période de trois ans, qui peut être retiré s’ils ne satisfont plus aux conditions de séjour ou s’ils représentent une charge déraisonnable pour la sécurité sociale. Au cours de la troisième année, ce retrait n’est possible que si des éléments indiquent une situation de complaisance. Après trois ans, l’étranger obtient un droit de séjour permanent, qu’il peut perdre uniquement en cas de fraude ;

 

 

-          Conformément à la directive, étant donné qu’il ne peut plus être délivré de document de séjour aux citoyens de l’Union, ils reçoivent désormais une attestation d’enregistrement et peuvent, en principe, régler leur procédure de séjour en une seule visite à la commune. Dès la première fois où ils se présentent à la commune, ils sont immédiatement inscrits et ne doivent plus attendre le contrôle à l’adresse ;

 

 

-          Les partenaires non mariés d’un citoyen de l’Union bénéficieront désormais eux aussi d’un droit légal au regroupement familial. Par contre, les conjoints des ascendants et descendants ne tombent plus sous le champ d’application du regroupement familial. Les membres de la famille d’un Belge sont traités de la même façon que les membres de la famille d’un citoyen de l’Union, à ceci près que des garanties supplémentaires sont demandées si les ascendants viennent rejoindre un Belge. Lorsque c’était possible, les mêmes principes ont été repris que ceux qui s’appliquent au regroupement familial avec des ressortissants non UE (par ex. séjour temporaire pendant 2 à 3 ans, regroupement familial de partenaires…).

 

Ressortissants non UE

 

En outre, dans le cadre du regroupement familial, une modification législative sera requise pour introduire le critère des moyens de subsistance réguliers et suffisants, comme prévu par l’accord gouvernemental.

 

Une exigence d’intégration pourrait aussi être prévue comme l’a autorisé la directive 2003/86. Celle-ci peut être réalisée au moyen d’accords de coopération avec les communautés, qui sont en effet compétentes en matière d’intégration.

 

 

La lutte contre les mariages de complaisance

 

Le phénomène des mariages blancs est très caractéristique de l’immigration pseudo-légale. L’abus du droit de séjour en tant que partenaire marié ou partenaire dans le cadre de la cohabitation légale prend de telles proportions que de nouveaux moyens ou nouvelles formes de coopération doivent être développés pour lutter contre l’utilisation inappropriée de l’institution du mariage ou de la cohabitation légale.

 

-          En plus de la circulaire du 13 septembre 2005 relative à l’échange d’informations entre les officiers de l’état civil, en collaboration avec l’Office des Etrangers, la loi du 12 janvier 2006 concernant la pénalisation de la tentative et la conclusion d’un mariage de complaisance constitue un nouvel instrument dans le cadre de la lutte contre ce phénomène.

 

Bien qu’en 2007, une augmentation nette du nombre de demandes d’informations relatives à des mariages projetés et conclus a été enregistrée, l’Office des Etrangers a choisi de ne reprendre dans les statistiques que les cas individuels qui ont nécessité une enquête administrative du Bureau Recherches de l’Office des Etrangers. Les statistiques de 2007 reprennent systématiquement le nombre de tentatives qu’un étranger a entreprises dans plusieurs communes. Il est ainsi satisfait directement aux objectifs poursuivis par la circulaire du 13 septembre 2005.

Grâce à une meilleure collaboration entre les différents services et à la priorité que les Parquets ont donné au suivi des mariages blancs projetés, le nombre d’enquêtes a augmenté de 42 % en 2007.

 

 

 

Depuis peu, on constate une stagnation du nombre d’enquêtes administratives sur de potentiels mariages blancs projetés. Cette stagnation est probablement due aux récentes modifications législatives qui prévoient un droit de séjour sur la base d’un contrat de cohabitation. Les administrations locales ont observé un potentiel abus de cette procédure. Les services d’immigration suivent cette problématique de près.

 

 

 

-          Au milieu de l’année 2007, un groupe de travail sur les mariages de complaisance a été créé au sein du SPF Justice dans le service de la Politique criminelle.

 

Ce groupe de travail est constitué d’une délégation des différentes parties intéressées, comme les parquets généraux, les parquets d’arrondissement, les officiers de l’état civil, le SPF Affaires étrangères et l’Office des Etrangers du SPF Intérieur.

 

 

 

Début octobre 2008, les travaux de ce groupe de travail ont débouché sur la réalisation d’un scénario national détaillé de 94 pages qui explique les compétences de tous les partenaires concernés, énumère leurs tâches dans le cadre légal et vise une collaboration optimale. Pour le Collège des procureurs généraux, ce document sert de base à la rédaction et à la promulgation d’une directive pour les Parquets d’arrondissement en matière de lutte contre les mariages blancs.

 

 

Nombre d’enquêtes administratives du Bureau Recherches pendant les 9 premiers mois de 2008 : 5.030 enquêtes sur de potentiels mariages blancs projetés et 1.778 enquêtes sur de potentiels mariages blancs conclus.

 

 

-          Test ADN

 

Pour lutter contre la fraude dans le cadre du regroupement familial et pour faciliter le regroupement familial des enfants ayants droit, une procédure sécurisée a été mise en place en 2003 en collaboration avec le SPF Affaires étrangères pour permettre de prouver la parenté au moyen d’un test ADN.

 

Cette procédure est particulièrement utile quand les documents de l’état civil ne sont pas probants ou quand les registres de l’état civil ont été détruits. L’application de cette « procédure ADN » n’est pas obligatoire, mais offre au demandeur la possibilité d’obtenir plus facilement le regroupement familial. Cette possibilité offerte au demandeur s’inscrit dans le cadre de la Convention internationale relative aux droits de l’enfant.

 

 

 

La procédure ADN se généralise d’année en année et est actuellement possible au départ de 20 postes diplomatiques ou consulaires belges dans des pays où des problèmes existent en matière de production de documents probants de l’état civil. (Abidjan, Addis-Abeba, Islamabad, Kinshasa, Lagos, Lubumbashi, New Delhi, Pékin, Shanghai, Kigali, Nairobi, Dakar, Bangkok, Manille, Kampala, Bujumbura, Yaoundé, Caracas, Téhéran et Cotonou).

 

-          Enfin, il faut également aborder les abus dans la procédure de regroupement familial sur la base d’un partenariat.

 

Ainsi, par analogie avec ce qui est prévu pour le mariage, une disposition sera introduite en rapport avec un « partenariat blanc » : un partenariat qui n’est conclu que pour obtenir une autorisation de séjour pourra être annulé et sera de plus punissable.

 

 

-          Sur proposition du Ministre de la Justice, le juge pénal qui prononce l’annulation dans le cadre d’un mariage de complaisance ou d’une cohabitation de complaisance devra le cas échéant prononcer la déchéance de la nationalité belge.

 

 

-          En outre, les abus dans la procédure du regroupement familial devront également faire l’objet d’une approche préventive.

 

Sur proposition du Ministre de la Justice, les postes diplomatiques et consulaires étrangers recevront une base légale pour lutter le plus efficacement possible contre les abus dans le cadre du regroupement familial. Les documents falsifiés pourront notamment être interceptés dans le pays d’origine et être soumis à un contrôle de vérification.

 

Toujours, sur proposition du Ministre de la Justice une base de données sera mise à la disposition de l’officier de l’état civil qui devra la consulter avant de conclure un mariage ou une cohabitation légale. De plus, en cas de doutes sérieux quant à l’authenticité, il pourra consulter aussi bien le Parquet que les postes diplomatiques pour la faire vérifier.

 

 

5.2.2.2             Les résidents de longue durée

 

Concernant les ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, la loi du 25 avril 2007 a été complétée par :

 

-          l’arrêté royal du 22 juillet 2008 modifiant l’arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers ;

 

-          l’arrêté royal du 22 juillet 2008 fixant certaines modalités d’exécution de la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers ;

 

-          une instruction adressée aux administrations communales en date du 1er septembre 2008.

 

 

 

Ces dispositions conduisent à deux nouveautés :

 

-          Le ressortissant d’un Etat hors UE peut obtenir un statut de résident de longue durée en Belgique s’il satisfait aux conditions suivantes :

 

d.      s’il est autorisé ou admis au séjour en Belgique de manière illimitée ;

e.      s’il justifie un séjour légal et ininterrompu dans le Royaume au cours des cinq ans qui précèdent immédiatement la demande d'acquisition du statut ;

f.        s’il dispose, pour lui‑même et les membres de sa famille qui sont à sa charge, de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics, ainsi que d’une assurance-maladie couvrant les risques en Belgique.

 

Les membres de la famille d’un résident de longue durée se voient appliquer les mêmes dispositions que les membres de la famille d’un étranger, ressortissant de pays tiers, autorisé ou admis au séjour pour une durée illimitée ou autorisé à s’y établir.

 

 

-          Ces dispositions permettent à un ressortissant de pays tiers qui bénéficie du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre, d’obtenir plus facilement une autorisation de séjour de plus de trois mois en Belgique. En pratique, les résidents de longue durée sont soumis aux mêmes conditions que celles applicables à tout ressortissant de pays tiers qui souhaite exercer une activité économique en Belgique, y poursuivre des études ou obtenir une autorisation d’y séjourner dans un autre cadre, à ceci près, que le résident de longue durée bénéficie à ce titre d’un droit à l’autorisation de séjour.

 

 

 

Concernant les membres de la famille d’un ressortissant d’un Etat hors UE qui bénéficie du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre et qui est autorisé au séjour en Belgique, ils sont soumis aux mêmes dispositions que les membres de la famille d’un ressortissant de pays tiers autorisé au séjour pour une durée limitée en Belgique. Toutefois, lorsque la famille est déjà constituée dans le premier Etat membre, la preuve d’un logement suffisant ne sera pas requise dans le chef du regroupant et, dans le cas où ce dernier ne dispose pas de ressources suffisantes pour l’entretien du membre de sa famille à l’égard duquel cette condition est requise (enfant majeur handicapé), les moyens personnels de celui-ci seront également pris en compte.

 

5.2.2.3             Etudiants

 

Les dispositions relatives à l’accès au territoire et au séjour des étudiants étrangers sont reprises dans le chapitre III, du titre II, de la loi du 15 décembre 1980, qui prévoit un statut de séjour particulier au profit de l’étudiant étranger.

 

Ce chapitre sera modifié et complété en raison de la transposition de la directive 2004/114/CE relative aux conditions d’admission des ressortissants de pays tiers à des fins d’études, d’échange d’élèves, de formation non rémunérée ou de volontariat.

 

 

Comme l’indique son intitulé, cette directive européenne détermine les conditions d’entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers dans un Etat membre de l’Union européenne à des fins d’études, d’échange d’élèves, de formation professionnelle non rémunérée ou de volontariat.

 

Les Etats membres liés par la directive (excepté le Royaume-Uni, l’Irlande et le Danemark) sont tenus de transposer dans leur ordre juridique interne les dispositions de la directive relatives au séjour des ressortissants de pays à des fins d’études. Ils sont par contre libres de transposer ou pas les dispositions de la directive se rapportant aux autres statuts.

 

 

 

La directive vise essentiellement à harmoniser les conditions et les procédures d’entrée et de séjour à des fins d’études des ressortissants de pays tiers sur le territoire des Etats membres.

 

 

La mobilité dont l’étudiant étranger bénéficie en Europe sous certaines conditions est une nouveauté.

 

La directive ne se limite pas à la définition des procédures et des conditions de séjour mais confère à l’étudiant étranger qui a déjà obtenu le statut d’étudiant dans un Etat membre sur la base de la directive, le droit d’aller étudier dans un autre Etat membre moyennant le respect de certaines conditions. Ainsi, l’étranger qui est titulaire d’un titre de séjour « étudiant » délivré par un autre Etat membre peut désormais demander l’autorisation de suivre en Belgique une partie des études dans lesquelles il est déjà engagé ou de les compléter par un cycle d’études apparenté.

 

 

 

Une première ébauche d’avant-projet de loi a déjà été rédigée pour transposer les dispositions de la directive en droit belge. De plus, l’avant-projet de loi aligne les dispositions existantes de la loi du 15 décembre 1980 sur celles de la directive. Le texte transpose uniquement le volet « Etudiants » de la directive.

 

En outre, l’avant-projet de loi doit inclure l’évolution de l’enseignement supérieur (processus de Bologne). Il a donc été soumis aux ministres communautaires compétents en matière d’enseignement supérieur afin que les différentes notions et définitions du statut d’étudiant couvrent le contenu exact. Un groupe de travail technique se penchera plus en détails sur le projet qui pourrait encore faire l’objet de modifications avant d’être soumis pour avis au Conseil d’Etat et ensuite pour approbation au Parlement.

 

 

 

Cependant, il existe une volonté politique, d’une part, de moderniser le statut de l’étudiant étranger et lui octroyer une mobilité au sein des pays de l’Union européenne et, d’autre part, de lutter contre les abus du statut et l’utilisation de documents faux ou falsifiés.

 

 

Pour ce faire, un agent de l’Office des Etrangers est envoyé chaque année aux postes diplomatiques de Casablanca et de Kinshasa pour traiter et délivrer sur place les visas pour étudiants. A l’avenir, le nombre de fonctionnaires à l’immigration chargés de cette tâche sera augmenté.

 

 

5.2.2.4             Travailleurs

 

La réglementation en matière d’emploi des travailleurs étrangers relève de la compétence de la Ministre fédérale de l’Emploi. L’exécution de cette réglementation, à savoir la délivrance des permis de travail, a été attribuée aux Régions et ce, suite à une précédente réforme de l’Etat. Sur la base d’un permis de travail est délivré un permis de séjour par l’Office des étrangers qui lui relève de la Ministre fédérale de la Politique de Migration. Les propositions ci-après dans le cadre de la migration économique doivent donc être élaborées en concertation entre les deux ministres.

 

 

Le Service de migration économique

 

Le 15 septembre 2008, a été créé au sein de l’Office des Etrangers, le nouveau Service de migration économique. L’objectif de ce service est, d’une part, d’accélérer le traitement des demandes de visas pour les migrants économiques afin de délivrer le plus rapidement possible ces visas et, d’autre part, d’intervenir comme point de contact et d’information permanent pour toutes les parties concernées. Il s’agit en l’occurrence des entreprises, du travailleur étranger ainsi que des autorités concernées comme le SPF Affaires étrangères, le SPF Emploi, les Régions ainsi que les communes et les villes.

 

Ce nouveau service fera l’objet d’une évaluation et d’un suivi mensuels, ce qui permettra de détecter les problèmes actuels et de proposer des solutions. Ainsi, des séminaires seront organisés en novembre 2008. Un premier séminaire vise à sensibiliser les villes et les communes à offrir un service convivial aux migrants économiques et à les encourager à s’inscrire au registre des étrangers le plus rapidement possible et au plus tard dans les trois mois. Pendant ce délai, les travailleurs étrangers sont couverts par un séjour légal sur la base du visa obtenu. Lors d’un deuxième séminaire, les entreprises seront informées de la réglementation en vigueur sur les permis de séjour et les autorisations d’occupation et des procédures à suivre.

 

 

Ressortissants EU

 

Au plus tard le 30 avril 2009, les mesures transitoires relatives à l’accès au marché du travail belge cesseront de plein droit d’exister pour les ressortissants des huit Etats membres qui ont adhéré à l’Union européenne le 1er mai 2004. De ce fait, ils ne devront plus demander de permis de travail pour pouvoir venir travailler en Belgique. Le Gouvernement étudie la possibilité de lever prématurément ces mesures transitoires. Pour les pays qui sont entrés dans l’UE depuis le 1er janvier 2007, le Gouvernement examine si ces mesures peuvent être levées en même temps que pour les autres nouveaux Etats membres de l’UE. La Belgique franchit ainsi une étape importante dans le cadre d’une Europe sans frontière en matière de libre circulation des personnes et des travailleurs.

 

Ressortissants de pays tiers à l’étranger

 

La directive « Blue Card » sera normalement approuvée en janvier 2009 sous la présidence tchèque. Cette directive européenne représentera une étape en matière de politique de migration globale européenne en permettant d’abord aux travailleurs étrangers hautement qualifiés non UE d’être employés dans tous les Etats membres avec un seul et même permis de travail/séjour, ce qui augmentera la force d’attraction de l’Europe sur les travailleurs étrangers.

 

 

Une deuxième directive sera ensuite approuvée dans une phase ultérieure. Celle-ci permettra d’appliquer également le principe de la migration circulaire aux travailleurs saisonniers.

 

Le Gouvernement continuera de développer la migration économique. Actuellement, il n’existe qu’une liste assez confuse de dispenses et d’exceptions qui, jusqu’à présent, ne permet pas de combler les emplois vacants difficiles à pourvoir. De plus, seuls les travailleurs venant des pays avec lesquels la Belgique a signé un accord bilatéral peuvent obtenir un permis de travail. C’est pourquoi le Gouvernement examine la possibilité d’accepter les migrants économiques de tous les pays en fonction des besoins de notre marché du travail.

 

Ressortissants de pays tiers sur le territoire

 

Les personnes qui séjournent durablement sur le territoire depuis le 31 mars 2007 au moins et qui ont une offre d’emploi fixe, peuvent obtenir de façon exceptionnelle une autorisation d’occupation. L’Office des Etrangers délivrera une autorisation de séjour provisoire à ces personnes sur la base de leur permis de travail. La surveillance en matière d’abus sera particulièrement accentuée. Ainsi, des sanctions pénales seront notamment introduites pour lutter contre les demandeurs, les employeurs et les intermédiaires frauduleux.

 

5.2.2.5             Séjour pour raisons humanitaires

 

Pour faire face à certaines situations humanitaires, des critères ont été définis ces dernières années pour délivrer une autorisation de séjour à certains étrangers. Depuis 2005, cette pratique a permis à quelque 10.000 étrangers par an d’obtenir une autorisation de séjour.

 

En application de l’accord gouvernemental, le Gouvernement opte pour une régularisation sur base individuelle. Les critères de régularisation relatifs aux circonstances exceptionnelles seront précisés dans une circulaire (longue procédure, maladie et motif humanitaire urgent, y compris l’ancrage local durable). Le critère relatif à la longue procédure tel qu’il a été appliqué jusqu’à présent tenait compte uniquement d’une procédure d’asile de 3 ans (avec des enfants) ou de 4 ans (sans enfant). Nous élargissons ce délai à 4 ou à 5 ans pour les procédures incluant l’intervention du Conseil d’Etat et/ou l’article 9.3 de l’ancienne loi sur les étrangers dans le cadre d’une procédure d’asile.

 

Lors de l'appréciation du motif humanitaire urgent sur la base de l'ancrage local durable, on peut tenir compte des avis des autorités locales ou d'un service agréé en ce qui concerne la connaissance d'une des langues nationales, le parcours scolaire et l'intégration des enfants, le passé professionnel et la volonté de travailler, la possession des qualifications ou des compétences adaptées au marché de l'emploi, entre autres en ce qui concerne les métiers en pénurie, la perspective de pouvoir exercer une activité professionnelle et/ou la possibilité de pourvoir à ses besoins. Dans chacun des cas mentionnés, on vérifiera si la personne concernée ne constitue pas un danger pour la sécurité ou l'ordre public.

 

5.2.2.6             Victimes de la traite des êtres humains

 

Dans le prolongement des recommandations de la Cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains, on tend vers une meilleure protection des victimes de la traite des êtres humains. Il s’agit des initiatives suivantes :

 

  1. Consacrer une attention spécifique aux mineurs non accompagnés.

 

    1. Le mineur non accompagné qui est victime de traite des êtres humains devrait pouvoir être mis en possession d’un titre de séjour, indépendamment du fait qu’il collabore ou non avec la Justice. La législation doit donc être modifiée en ce sens.

 

    1. Différents projets d’études ont formulé des recommandations pour réduire le risque de trafic d’enfants et enquêter systématiquement sur les cas susceptibles de révéler des trafics d’enfants. Un groupe d’action sera créé pour examiner comment traduire et appliquer concrètement ces différents projets et particulièrement, pour sensibiliser tous les intéressés et les acteurs de première ligne à l’aéroport à la problématique des mineurs voyageant seuls.

 

    1. En outre, la nécessité d’élaborer un guide expliquant le rôle de l’ensemble des acteurs qui interviennent pour le mineur étranger non accompagné (en abrégé : MENA) sera examinée.

 

 

 

  1. Lier l’octroi d’un titre de séjour dans le cadre de l’exploitation de personnel domestique dans le milieu diplomatique à la procédure relative au droit du travail.

 

Dans certaines situations spécifiques, le système actuel de coopération avec la Justice n’est pas adapté. Il s’agit notamment de situations de traite des êtres humains dans lesquelles le personnel domestique est parfois la victime de diplomates disposant d’une immunité judiciaire. En cas d’introduction d’une plainte pour des faits de traite des êtres humains, dans une telle situation, il devrait être permis que ce soit l’auditeur du travail qui évalue si les faits constituent une situation de traite des êtres humains et un titre de séjour devrait pouvoir être délivré et renouvelé en fonction du déroulement du procès civil.

 

5.3 Carte de séjour électronique pour étranger

 

5.3.1    Objectifs du projet

 

Avec l’introduction des cartes électroniques pour étrangers, la Belgique souhaite répondre aux besoins suivants correspondant à une administration moderne et dynamique :

 

-          Lutter contre la fraude et la criminalité ;

-          Offrir aux étrangers les avantages d’une carte électronique, à l’instar de la carte d’identité électronique pour les Belges ;

-          Inscrire les cartes pour étrangers dans un contexte international, à savoir le règlement européen n° 1030/2002 tel que modifié par le Règlement n° 380/2008 qui élabore un modèle uniforme de titres de séjour. Les cartes électroniques pour étrangers délivrées par la Belgique aux étrangers âgés de 12 ans correspondent à ce modèle.

 

 

 

 

 

 

5.3.2    Calendrier du projet

 

2008

 

A la suite du bon déroulement de la phase-pilote qui a eu lieu dans 4 communes (Uccle, Tubize, Avers et La Calamine), le Conseil des Ministres a, en date du 1er février 2008, décidé de généraliser la délivrance de la carte électronique pour étrangers à l’ensemble des communes du Royaume.

 

Avant le basculement des communes vers l’environnement électronique, ces dernières ont reçu plusieurs formations. Une première série de formations a été consacrée aux procédures génériques de fabrication et de délivrance de la carte électronique. Une deuxième a été prévue pour expliquer aux communes les aspects spécifiques de la carte électronique pour étrangers. Enfin, les communes ont également eu la possibilité de se familiariser avec la nouvelle version de l’application BELPIC au cours de sessions d’exercices pratiques.

 

Le basculement vers l’environnement électronique au niveau des cartes pour étrangers a débuté le 11 juin 2008 par le basculement de la commune de Melle. Pour la fin du mois d’octobre, toutes les communes de Belgique auront basculé et ne délivreront plus que des cartes électroniques aux étrangers âgés de plus de 12 ans.

 

Afin de pouvoir faire face à cette nouvelle méthode de travail, les communes ont reçu le matériel qui leur était nécessaire pour pouvoir délivrer une carte électronique aux étrangers.

 

2009

 

Lors du Conseil des Ministres du 1er février 2008, il a été convenu de moderniser les documents délivrés aux enfants étrangers de moins de 12 ans et de leur délivrer, comme aux enfants belges, une carte électronique. Par conséquent, en 2009, une phase-pilote sera lancée pour la carte électronique pour enfants étrangers.

 

 

5.3.3    Futurs points d’action

 

La délivrance généralisée des cartes électroniques pour étrangers dans toutes les communes et à tous les étrangers ne constitue pas une fin en soi.

 

Simplification administrative : Grâce à une collaboration étroite et active avec les autres administrations, des synergies pourront être développées entre la carte électronique pour étrangers et les autres documents qui leur sont délivrés. A terme, cela pourra même déboucher sur une rationalisation des différents types de documents.

 

Sécurisation accrue : Les institutions européennes ont décidé d’imposer l’intégration de données biométriques dans les cartes électroniques. Dès que les spécifications techniques auront été définies et adoptées, nous pourrons procéder à l’enregistrement des données biométriques dans les cartes électroniques pour étrangers. Concrètement, il s’agit d’une photo et des empreintes digitales.

 

 

Egalité de traitement : Pour traiter les Belges et les étrangers de la même façon, il est logique que tous bénéficient des mêmes possibilités grâce à leur carte électronique.

 

 

 

5.2.4. Eloignement

 

5.2.4.1             Politique d’éloignement

 

L’issue nécessaire à la lutte contre l’immigration illégale repose sur une politique effective de retour et d’éloignement des étrangers qui ne bénéficient pas d’un droit de séjour. La priorité est donnée au retour volontaire et autonome. Si cette possibilité ne fonctionne pas, il est procédé à un retour forcé, tout en restant humain.

 

Les rapatriements, ce qui signifie en l’occurrence les éloignements sous la contrainte, font partie de cette politique d’éloignement et en représentent la plus grande partie, suivie du retour volontaire avec l’aide du REAB (Return and Emigration of asylum Seekers Belgium), un programme de l’Organisation Internationale pour les Migrations (OIM).

 

Durant l’année 2006, 11.728 personnes ont été éloignées du territoire belge. En 2007, 8.745 personnes ont été éloignées (dont 2.592 départs avec l’OIM). Cette diminution en 2007 est principalement due à une forte diminution des retours volontaires à partir des centres ouverts. D’autre part, suite à l’élargissement de l’UE, les ressortissants des nouveaux Etats membres ne peuvent désormais être éloignés uniquement en cas de violation de l’ordre public, de travail au noir et, dans une moindre mesure, de demandes d’asile répétées. En outre, bon nombre d’étrangers UE dont la demande d’asile a été déboutée séjournent dans les centres d’accueil ouverts.

 

Si l’on entend parvenir à une politique d’éloignement effective, la collaboration entre les structures d’accueil et l’Office des étrangers s’avère essentielle. Une telle collaboration implique que les informations échangées entre les deux parties soient beaucoup plus détaillées et mises à jour. On évite ainsi que des personnes soient accueillies trop longtemps et sans motif légal dans une structure d’accueil, ce qui diminuera ainsi considérablement le taux d’occupation. Ce n’est qu’en travaillant de cette façon que la nouvelle procédure d’asile raccourcie pourra fonctionner de façon optimale sur le terrain et que l’on pourra éviter que des étrangers dont la demande d’asile a été déboutée ne se retrouvent dans l’illégalité et ne soient parfois placés dans un centre fermé qu’après plusieurs années.

 

 

En ce qui concerne les refoulements, la baisse amorcée ces dernières années se poursuit. Grâce à une approche proactive, le nombre de refoulements à la frontière belge continue de diminuer. Il y a eu non seulement davantage de protocoles d’accord en matière d’imposition d’amendes administratives conclus avec les transporteurs, mais les mesures préventives ont aussi été considérablement renforcées.

 

 

Le nombre de reconduites à la frontière a fortement augmenté du fait du suivi prioritaire des reprises Dublin et autres, pour éviter les abus de ce que l’on appelle « l’asile shopping ».

 

Les étrangers récalcitrants qui présentent des risques pour la sécurité peuvent être rapatriés par vol sécurisé. La possibilité d’organiser de tels vols a un effet positif sur le comportement des autres étrangers en séjour illégal, qui sont alors plus disposés à quitter le territoire volontairement et sans montrer de résistance.

 

 

Dans le cadre de l’éloignement, l’encouragement au retour volontaire fait l’objet d’une grande attention. L’Office des Etrangers consulte constamment l’Organisation Internationale pour les Migrations (OIM) à Bruxelles. Ensemble, ils cherchent le moyen de stimuler encore davantage le retour volontaire.

 

Les efforts relatifs à l’éloignement seront poursuivis, d’une part, par une optimalisation de la collaboration proactive avec Fedasil, les services de police et les administrations communales et, d’autre part, par une coopération efficace avec d’autres départements concernés, tels que le SPF Justice et le SPF Affaires étrangères.

 

Au niveau européen

 

Une autre priorité de la politique européenne d’immigration est la nécessité d’instaurer une politique de réadmission plus dynamique mieux adaptée aux défis auxquels sont confrontés au quotidien les Ministres de la Politique de Migration.

 

C’est précisément dans le domaine du retour que l’action européenne peut avoir une valeur ajoutée quand il s’agit de conclure des accords de réadmission, de mener des négociations en vue de l’obtention de laissez-passer et de faciliter le transit entre pays européens. C’est pourquoi la Belgique soutient ces actions dans le cadre du Conseil Justice et Affaires intérieures de l’Union européenne.

 

 

 

Jusqu’à aujourd’hui, l’Europe a conclu 11 accords de réadmission. Entre 2006 et 2008, la Belgique a ainsi pu conclure parallèlement un accord de réadmission et un accord de facilitation de visas avec la Russie, l’Ukraine, la Moldavie et les quatre pays des Balkans (Bosnie-Herzégovine, Serbie, Monténégro et Macédoine). En septembre 2008, la Commission a paraphé un accord avec le Pakistan. Des négociations formelles ont déjà été entamées avec le Maroc et la Turquie, mais elles ne sont pas encore clôturées. Les négociations avec la Chine et l’Algérie n’ont pas encore commencé (malgré l’approbation des mandats en 2002). En 2009, des négociations seront entamées avec la Géorgie et le Cap Vert.

 

 

Au niveau international

 

Dans le domaine de la coopération internationale en matière d’éloignement, la Belgique a mené au nom du Benelux les négociations qui ont débouché sur la conclusion d’un Accord de réadmission avec l’Arménie, la Bosnie-Herzégovine (19 juillet 2006) et avec l’Ancienne République de Macédoine (30 mai 2006). L’accord avec l’Arménie sera signé en novembre 2008. En outre, les négociations avec la France et la Géorgie se sont poursuivies en 2008.

 

Ces efforts seront poursuivis afin d’aboutir à la signature de ces accords en 2009 au plus tard. En 2008, l’Office des Etrangers a également poursuivi ses efforts afin de conclure, au nom du Benelux, les négociations avec la Russie pour le protocole d’application pour la mise en œuvre de l’accord de réadmission européen avec ce pays. Ce protocole devrait être signé fin 2008 ou début 2009 au plus tard. Des négociations dans ce sens seront également initiées avec l’Ukraine et les pays des Balkans en 2009.

 

 

Au niveau bilatéral

 

En 2008, des protocoles d’accord (MoU) ont été conclus avec le Vietnam, la Guinée et l’Equateur. La même voie sera empruntée en 2009 afin de conclure des accords administratifs de reprises avec notamment l’Iran, l’Irak et le Nigéria.

 

Une collaboration renforcée avec la Grande-Bretagne est également envisagée en matière de lutte contre l’immigration illégale et le transit en direction de ce pays. Dans ce cadre, une visite bilatérale est organisée dans le courant du mois de novembre pour améliorer l’application du MoU de 2004 relatif à la collaboration entre les services de police et d’immigration des deux pays.

 

 

Le « RETURN-project » relatif au développement et au renforcement d’une collaboration effective, stable et durable et avec la République démocratique du Congo en matière de retour sera poursuivi en 2009 et ce, après une évaluation positive des participants. L’objectif de ce projet est d’intensifier la collaboration entre cinq Etats membres européens, le Ministère congolais des Affaires étrangères et la Direction générale des Migrations (DGM), en matière d’identification et de retour des Congolais en séjour irrégulier. Il comprend l’organisation de missions vers l’Europe et la mise à disposition d’une assistance technique pour les institutions congolaises.

 

5.2.4.2             Centres fermés

 

Les travaux de construction d’un nouveau centre de transit débuteront fin janvier. Celui-ci remplacera le centre de l’aéroport qui est déjà en fonction depuis 1988.

 

La nouvelle infrastructure sera très différente du centre actuel qui est principalement constitué de conteneurs. Elle offre en effet des possibilités supplémentaires pour optimiser l’encadrement des résidents durant leur séjour. L’objectif final est de rendre l’atmosphère dans le bâtiment aussi calme et hospitalière que possible.

 

 

Le nouveau centre est aménagé à proximité du centre 127bis de Steenokkerzeel. Si la construction se déroule comme prévu, le nouveau centre sera opérationnel à la fin du mois de juillet 2010.

 

En ce qui concerne les travaux d’infrastructure dans les autres centres, on étudie actuellement d’importants projets qui visent tous à « humaniser » encore davantage les centres.

 

L’aménagement d’un nouveau pavillon de liaison entre l’aile administrative et l’aile des résidents dans le Centre de rapatriement 127bis de Steenokkerzeel commence à prendre forme. Le but principal de cette aile supplémentaire est de pouvoir accueillir des personnes qui éprouvent des difficultés à vivre en régime de groupe. Au printemps 2008, une fois le gros‑œuvre du site achevé, les travaux de finition ont pu commencer. Le bâtiment devrait être réceptionné le 1er février 2009.

 

 

 

D’importants aménagements infrastructurels sont également attendus dans le Centre pour illégaux de Bruges : on est en train d’y construire un tout nouveau hall d’entrée. Le nouveau bâtiment sera opérationnel en mars 2009. Ensuite, la cour sera également réaménagée et agrandie. Les travaux devraient être terminés d’ici fin 2009.

 

Dans le Centre pour illégaux de Merksplas, deux projets sont également au programme. Tout d’abord, l’actuel bloc III sera entièrement réaménagé avec des dortoirs séparés au lieu des dortoirs existants. Les travaux commenceront en février 2009 et la réception est prévue en novembre de la même année. Ensuite, des travaux supplémentaires seront effectués dans le bloc IV pour les régimes individuels.

 

Enfin, quelques adaptations fondamentales seront apportées à une aile du Centre pour illégaux de Vottem pour y créer également un régime individuel pour les personnes qui présentent des problèmes lorsqu’elles sont placées en régime de groupe. Ces aménagements devraient être terminés pour janvier 2009.

 

 

Alternative à l’enfermement de familles avec enfants

 

A partir du 1er octobre 2008, les familles avec enfants mineurs en situation illégale en attente de leur éloignement ne sont plus maintenues dans des centres fermés. Une alternative a été étudiée pour placer ces familles dans des logements gérés par l’Office des Etrangers. Ce projet‑pilote se base, d’une part, sur les recommandations du Bureau d’Etudes Sum-Research, et, d’autre part, sur les expériences d’autres pays comme l’Australie et la Suède.

 

 

 

La Régie des Bâtiments a mis à la disposition de l’Office des Etrangers un certain nombre de logements: 3 logements à Zulte et 5 appartements à Tubize. Ces logements sont équipés pour accueillir convenablement une famille avec des enfants. Les logements de Zulte ont déjà été rénovés, meublés et équipés de l’infrastructure nécessaire. Les cinq autres logements sont pour l’instant en travaux et devraient bientôt pouvoir être utilisés.

 

 

 

Les familles sont accueillies dans un logement privé. Des « coaches » les suivront et les accompagneront en permanence pour les préparer à leur retour. Deux coaches francophones et deux coaches néerlandophones ont été désignés pour assurer le suivi des dossiers des familles séjournant dans ces logements. Tous les coaches exercent la même fonction et réalisent les mêmes tâches. Le fait que leur profil est différent représente un avantage, qui peut, à terme, mener à une différenciation de certaines tâches, si cela s’avérait nécessaire.

 

Les coaches expliqueront les différentes possibilités de retour ; le principal objectif étant de convaincre les familles de choisir le retour volontaire accompagné. Dans ce but, les coaches travailleront en étroite collaboration avec l’Organisation Internationale pour les Migrations (OIM). Ils veilleront à ce que tous les départs (volontaires ou forcés) se déroulent le plus humainement possible.

 

La principale tâche des coaches consiste à encourager et à persuader les familles de coopérer à leur identification (pour obtenir les documents de voyages nécessaires) et à leur retour.

 

 

Les familles qui ne sont pas assistées par un avocat peuvent obtenir l’assistance juridique nécessaire.

 

 

Les familles sont accompagnées au quotidien par les coaches dont l’une des tâches principales est de bâtir avec elles une relation de confiance.

Les coaches seront également compétents pour conclure des accords avec les commerçants, les écoles, les médecins… locaux, pour garantir un encadrement adapté et complet pour les familles.

 

 

En principe, toute famille qui fait l’objet d’une décision exécutoire et qui n’a plus la possibilité d’introduire de recours suspensif – soit, aussi les familles pour lesquelles l’accord d’un Etat membre de l’Union européenne a été obtenu dans le cadre de la réglementation de Dublin –, entre en ligne de compte pour séjourner dans ces logements. Cette mesure ne s’applique pas aux cas à la frontière, puisqu’ils relèvent de la Convention de Chicago et du « Code frontières Schengen » (Schengen Border Code).

 

Le projet sera ajusté en permanence si nécessaire.

 

5.2.5 Coopération européenne et internationale

 

Ce  15 octobre 2008, le Conseil européen a approuvé le Pacte européen sur l’immigration et l’asile. Ce Pacte exprime la volonté de l’Union européenne et de ses Etats membres de mener une politique juste, cohérente et efficace en fonction des défis lancés et des chances données par la migration. Pour l’UE, le Pacte représente un socle important pour une politique d’asile et de migration commune, soucieuse du sort des pays tiers et dans l’intérêt du migrant lui-même.

 

Le pacte est construit autour de cinq engagements forts :

-          organisation de l’immigration légale compte tenu des priorités, des besoins et de la capacité d’accueil de chaque Etat membre et l’organisation de l’intégration ;

-          lutte contre l’immigration irrégulière, plus particulièrement en garantissant le retour de migrants en situation illégale vers leur pays d’origine ou un pays de transit ;

-          renforcement de l’efficacité des contrôles frontaliers ;

-          construction d’une « Europe de l’asile » ;

-          conclusion d’un partenariat global avec les pays d’origine et de transit pour promouvoir les synergies entre la migration et le développement.

 

Les principaux principes du Pacte sont transposés en une série de mesures qui doivent être appliquées le plus rapidement posible aux niveaux européen et national. Ces principes servent d’ailleurs de source d’inspiration et de point de départ pour le programme de travail de l’UE que la Commission proposera en 2009.

 

5.2.5.1             Fonds européens

 

La volonté européenne de créer un espace de liberté, de sécurité et de justice reste d’actualité. Quatre ans après l’approbation du programme de La Haye, l’Europe continue à mener des actions pour harmoniser les différentes législations et pour renforcer la coopération opérationnelle entre les services de police et d’immigration européens.

 

L’Europe tente aussi de renforcer la solidarité entre les différents Etats membres de l’Union européenne. Pour concrétiser cette solidarité, le Programme-Cadre « pour la solidarité et la gestion des flux migratoires » prévoit la création de quatre fonds financiers : un Fonds pour l’Intégration des ressortissants de pays tiers, un Fonds européen pour les Réfugiés, un Fonds pour les Retours et un Fonds pour les Frontières extérieures.

 

 

Au niveau belge, l’Office des Etrangers a été désigné comme autorité responsable (de mise en œuvre) du Fonds pour les Frontières extérieures (2007-2013) et du Fonds pour les Retours (2008-2013), pour lesquels la Belgique recevra des montants importants : 3,4 millions d’euros pour le Fonds pour les Frontières extérieures (2007-2008) et 3,1 millions d’euros pour le Fonds pour les Retours (2008). Le budget 2009 prévoit les moyens fédéraux nécessaires. Etant donné que les interventions européennes sont préfinancées avec des moyens du fédéral, le Conseil des Ministres du 23 octobre 2008 a décidé que le fonds pouvait aller en négatif en attendant le versement des moyens européens, toutefois restreints à la somme prévue par la subvention européenne octroyée.

 

 

Dans une première phase, l’OE a développé un système de contrôle et de gestion et a établi des programmes pluriannuels pour ces deux fonds qui serviront de base aux programmes annuels et aux projets concrets. Chaque année, l’Office des étrangers sélectionnera des projets et attribuera un co-financement. Les Affaires étrangères et la Police fédérale ainsi que le SPF Intérieur sont les partenaires les plus importants concernant le Fonds pour les Frontières extérieures. Le Fonds pour les Retours sera géré en collaboration avec Fedasil et des organisations internationales et non gouvernementales qui pourront présenter des projets dans le cadre d’appels à propositions. Ce programme-cadre permettra ainsi d’investir des sommes importantes, notamment dans la sécurisation des frontières, la coopération consulaire en matière de visas, dont les projets ICT, le retour volontaire durable de migrants et d’étrangers en séjour illégal ainsi que dans l’humanisation des centres fermés et dans des projets de retour durable liés à des programmes de réintégration adaptés à des groupes cibles tels que les personnes vulnérables.

 

Les objectifs au niveau belge du Fonds pour les Frontières extérieures sont :

·         Amélioration de la coordination de l’échange d’informations entre les acteurs/gestionnaires au niveau national et entre la Belgique et les autres Etats membres ;

·         Amélioration du contrôle aux postes de passage frontalier (en particulier la circulation routière et l’afflux de passagers aux points de contrôle frontalier secondaires) et amélioration du contrôle de la circulation transfrontalière

·         Amélioration de l’équipement pour les actions communes coordonnées par Frontex, principalement pour le contrôle des frontières maritimes ;

·         Intensification de la lutte contre les abus en matière de demandes de visa (« shopping des visas ») et la migration pseudo-légale ;

·         Délivrance accélérée de visas aux voyageurs de bonne foi (bona fide) ;

·         Réalisation d’économies d’échelle dans le traitement et la délivrance des visas (coopération consulaire) ;

·         Mise en place du système d'information sur les visas (VIS : Visa Information System) ;

·         Formation, enseignement et échange de meilleures pratiques (dans le domaine de la politique en matière de visas et de la gestion des frontières).

 

Les objectifs du Fonds pour le Retour sont :

·         Développement additionnel des programmes de retour volontaire et renforcement de leur encadrement (information, sensibilisation, formation, exécution et suivi) ;

·         Développement d’une approche du retour axée sur des groupes-cibles, qui coordonne les différents efforts d’information, d’accompagnement, d’assistance financière ou matérielle, de coopération avec les pays d’origine, et les adapte aux besoins spécifiques de chaque groupe ;

·         Conception de structures d’accueil alternatives et adaptées dans lesquelles les personnes peuvent être guidées vers le retour ;

·         Amélioration des programmes de réintégration en les adaptant à la structure des besoins et en les axant sur l’objectif d’un retour durable ;

·         Soutien aux programmes de retour forcé et renforcement de leur encadrement (information, formation, coopération, exécution et évaluation), notamment pour des groupes-cibles ou pays posant des difficultés particulières ;

·         Accélération de l’identification, notamment par le biais d’une collaboration renforcée avec les pays d’origine ;

·         Augmentation de l’acceptation du retour, notamment du retour volontaire - y compris au sein du réseau d’accueil - par la conception d’une politique de communication, d’information et de formation ciblée et créative ;

·         Renforcement de la coopération/communication entre les autorités au niveau national en vue de développer une politique de retour plus intégrée comprenant le retour volontaire, le retour forcé et la réintégration durable en ligne avec les standards communautaires ;

·         Développement d’instruments d’analyse et d’évaluation permettant de se former une image plus claire de la population d’immigrés clandestins et de concevoir, d’élaborer et de mettre en œuvre des formes de retour rapides, humaines et respectueuses de la dignité ;

·         Investissement dans des structures au sein desquelles les différents Etats membres de l’UE peuvent échanger des informations, élaborer des meilleures pratiques et développer des modèles de collaboration opérationnelle.

 

Les projets suivants prévus pour 2009 seront réalisés par l’Office des Etrangers : la mise en place d’un système central de distribution de messages (central message broker) du système VIS, le rapport administratif électronique entre les services de police et l’Office des Etrangers, le logiciel de gestion pour les centres fermés, l’adaptation de l’accueil, de l’accompagnement et de la réintégration des groupes vulnérables et enfin, l’aide au retour des personnes de nationalités difficiles à éloigner ainsi que des étrangers détenus.

 

5.2.5.2             Le Réseau européen des Migrations (REM)

 

Grâce à son rôle actif dans le réseau européen de migration, la Belgique est concrètement impliquée dans l’échange d’informations sur la politique de migration et d’asile. Ce projet initié en 2003 par la Commission européenne a pour objectif d’améliorer l’échange d’informations entre les différents acteurs et la connaissance des différents aspects de la migration internationale.

 

Malgré le fait qu’en 2007, l’Europe ne puisse plus proposer son financement en raison de l’absence de base légale, le Réseau a poursuivi normalement ses activités. Ainsi, comme les années précédentes, il a réalisé un Rapport d’analyse politique (Policy Analysis Report), un Rapport Statistique et une étude sur le thème du regroupement familial. Il a cette fois encore utilisé le très utile « Rapid Question Mechanism » (système de questions-réponses rapide) permettant aux points de contact nationaux d’envoyer aux autres Etats membres leurs questions concernant la politique, la législation, les meilleures pratiques ou les statistiques et de recevoir une réponse dans les jours qui suivent si nécessaire.

 

Entre-temps, les négociations au sujet d’une base légale définitive ont été entamées au sein du Conseil de l’Union européenne. Après quelques réunions sous la présidence portugaise, le Conseil Justice et affaires intérieures a approuvé la proposition de « décision instituant un réseau européen des migrations » en décembre 2007. Depuis lors, les Etats membres ont désigné leur point de contact définitif. Pour la Belgique, c’est l’Office des Etrangers qui joue ce rôle. Il est aidé dans cette tâche par un fonctionnaire du Commissariat général aux réfugiés et aux Apatrides et un représentant du centre pour l’égalité des chances te la lutte contre le racisme.

 

En vertu de l’article 1er de cette proposition de décision, le but du réseau européen de migration est de répondre aux besoins d’informations des institutions communautaires, des autorités et des institutions des Etats membres en leur fournissant des informations fiables, objectives, comparables et à jour en matière d'asile et d'immigration afin de soutenir l'élaboration des politiques et la prise de décision en la matière dans l’Union européenne. Ces informations seront également diffusées au public grâce à un site Internet. Un Comité directeur, composé de représentants des Etats membres, de la Commission et assisté par deux experts scientifiques, fixera notamment le programme annuel et évaluera les avancées du réseau européen de migration.

 

Etant donné qu’il devient de plus en plus important de pouvoir disposer de statistiques précises et fiables, il a été décidé de confier une partie de cette mission au point de contact belge du réseau européen de migration. Puisque la comparabilité et la fiabilité des données posent problème au niveau européen, le futur réseau européen de migration attachera une grande importance aux statistiques et à leur analyse. Il est en effet évident que le Règlement européen relatif aux statistiques communautaires sur la migration et la protection internationale, entré en vigueur le 1er janvier 2008, représente un pas dans la bonne direction mais ne suffira certainement pas à résoudre tous les problèmes à ce niveau.

 

Dans le cadre du Règlement européen susmentionné, l’Office des étrangers devra fournir quatre types de données : la protection internationale (asile et protection subsidiaire), la prévention des entrées illégales et du séjour illégal, les permis de séjour et enfin, des données concernant le retour. Pour s’assurer de la bonne exécution de ce Règlement, un groupe de travail a été constitué au sein de la Direction Statistiques du SPF Economie, chargée des données concernant la population légale.

 

 

5.2.5.3             Prévention et sensibilisation

 

Pour bien gérer les migrations, il est nécessaire de disposer d’une approche globale qui consacre une attention particulière aux différents modi operandi. La prévention constitue un important volet de cette approche.

 

L’Office des étrangers agit également préventivement face à l’afflux irrégulier venant de certains pays tiers. Ainsi, en 2009, des projets de prévention et d’information seront organisés au Sénégal, au Cameroun et en Inde. Les projets sont réalisés par l’Organisation Internationale pour les Migrations et sont financés par l’Office des Etrangers. Un budget total de 100.000 euros en 2008 et de 300.000 euros en 2009 a été prévu à cet effet. Pour l’instant, la dernière main est mise à ces projets concrets.

 

5.2.5.4             Migration et Développement

 

La Belgique souhaite encourager les synergies entre la politique d’immigration, la politique étrangère et la politique de développement pour parvenir à une plus grande cohérence globale des domaines de politique extérieure sans pour autant porter préjudice aux actions prioritaires de la politique de développement.

 

Cette approche était également celle des grandes conférences internationales et régionales qui ont eu lieu en 2006 et qui ont rassemblé les pays d’origine, de destination et de transit. Les Ministres belges de l’Intérieur, de la Coopération au Développement et des Affaires étrangères ont notamment organisé une conférence en mars 2006 sur le thème « Migration et Développement ». En 2007, la Belgique a également organisé un premier forum mondial portant sur le thème « Migration et Développement » et participera activement à un deuxième forum qui se déroulera en 2008 à Manille (Philippines).

 

Dans cette optique, la gestion de la ligne budgétaire est partagée entre l’Office des Etrangers et la Direction générale de la Coopération au Développement. Pour 2008, les projets suivants ont été approuvés :

-          un projet de retour volontaire et de réintégration à partir du Maroc vers les pays de l’Afrique subsaharienne ;

-          un projet de prévention et de stabilisation des femmes venant de certaines régions de Kinshasa ;

-          une contribution au Forum Mondial sur la Migration et le Développement qui s’est tenu à Manille ;

-          une contribution au processus de Budapest entre les Etats membres de l’UE et les pays de la Communauté des Etats indépendants.

 

 

 

5.2.5.5             Autres projets européens

 

L’Office des étrangers a posé sa candidature pour devenir partenaire dans un Projet européen Twinning en Bulgarie et a été élu meilleur partenaire. Ses concurrents étaient les Pays-Bas, la France et la Grèce. La Commission européenne mettra un montant de 600.000 euros à sa disposition pour assister les Services bulgares à l’immigration pendant un an dans les domaines suivants : la mise en œuvre de nouvelles directives européennes relatives à l’admission et aux procédures ainsi qu’aux pratiques en matière d’interception et d’éloignement. En 2009, un fonctionnaire de l’OE travaillera à Sofia comme « Resident Twinning Advisor » pendant un an. D’autres agents de l’OE effectueront également des missions de courte durée en Bulgarie pour organiser des séminaires, apporter leur aide pour les interceptions et les vols spéciaux et mettre au point des instructions internes pour ensuite les faire connaître de toutes les antennes régionales des Services bulgares à l’immigration au cours d’une formation. Leurs homologues bulgares se rendront également en visite à l’OE pour découvrir leurs méthodes de travail. Par ce projet, l’OE contribue au renforcement des services chargés de l’immigration dans les nouveaux Etats membres de l’UE, et plus particulièrement dans les pays situés aux frontières extérieures de l’espace Schengen.